Geert Theunisse 的个人资料Geert Theunisse Maritiem照片日志列表更多 ![]() | 帮助 |
|
10月27日 Waarden & Normen der OverheidDe Waarden & Normen van de Overheid en andere droefenis Geachte lezer, Regelmatig komt op Tv, Radio en in andere media het ‘populaire’ onderwerp “Waarden & Normen ter sprake. Het is op initiatief van Nederland een thema in Europa geworden. Er is een hele website (www.zestienmiljoenmensen.nl) voor opgericht, én zelfs onze Premier bemoeit zich er graag te pas en te onpas mee.
Direct met Normen & Waarden samenhangend komt tegenwoordig (gelukkig!) ook de integriteit van het bestuursapparaat van de Overheid ter sprake, oa. de veelbesproken ‘graaicultuur’ op de diverse departementen en de omkoopbaarheid van ambtenaren, bijv. tijdens ‘de bouwfraude’. Er zijn dan nu ook per ministerie speciale bewakers, met meldpunten, van deze ondeugdjes benoemd en ingesteld.
Ik mis echter in de vele discussies vaak het belangrijkste punt waar het hier om gaat. Het gaat niet om bedragen in geld, het gaat over het hoe en waarom, en de schade die het gemis aan integriteit bij de Overheid bij/in de mensen aan de ‘lijdende’ zijde maakt; vooral in de wat ‘kleinere’, want immers veel vaker voorkomende, zaken. Het gaat nu om het totale verlies van vertrouwen en respect wat burgers in hun Overheid meenden te mogen – en moeten - kunnen stellen. Geloof mij, ik spreek uit bittere ervaring. Ik mis echter vooral enige uitdieping van het feit, dat veel van de fraude direct uitgelokt, resp. gepleegd wordt door de ambtenarij.
Over een geval van de laatstgenoemde categorie ‘luidde ik langdurig en dringend de klok’, zowel met als zonder publiciteit, tevergeefs. Verleden september de 23e -’04 was het vijfentwintig (25) jaar geleden dat dit specifieke geval begon; waarin enkele lagere ambtenaren in de fraudefout gingen; waarin er vervolgens door de Staat een hele serie wetsovertredingen en misdrijven gepleegd werden om de zaak onder de mat te houden; en waarin de toenmalige Minister van Justitie, Prof. Mr. Job de Ruiter, het om dezelfde reden nodig achtte om ondergetekende plus de Tweede-Kamer voor te liegen. Ik ben er na al die jaren nog steeds niet achter wat het mechanisme is achter elke onmiddellijke en collectieve ontkenning, cq. bagatellisering van de feiten door ‘de Staat’, zodra een burger een ernstige misstand aan die zijde signaleert; dus hierover ‘de klok luidt’. Ik houd het maar op de absoluut onwijze en verwerpelijke ‘Wij maken geen fouten!’ mentaliteit; hopelijk thans wat achter-haald gezien de instelling van de genoemde meldpunten. Het is waarlijk te hopen dat die meld-punten niet weer het zoveelste doekje-voor-het-bloeden zijn!
Een paar voorbeelden uit mijn veeljarige praktijkervaring: Eerst dus dat van 23-09-79: Dat betrof het zendschip van Radio Mi-Amigo op de Noordzee. Het was gestrand op de Aardappelbult in het gat van Brouwershaven en de Nederlandse Staat had er beslag op gelegd. Smit-International was er met een opdracht van Justitie op af gestuurd. Maar die konden er niet bijkomen en lieten het schip zitten. Toen belde de Rijkspolitie mij: of ik maar even rap, in opdracht van de OVJ te Amsterdam en op basis “no cure-no pay”, dat schip daar weg wilde halen. Nou, precies dat deden wij dus. Opdrachten werden door ons gewoon wél uitgevoerd. Anderhalf etmaal later lagen we met het hele spul in Willemstad voor de kant. Wij gingen toen eerst maar eens een tukje doen, doodmoe als we intussen waren… Toen al begon de ellende. Er waren wat erg corrupte ambtenaren bij betrokken die het geborgen schip als een speer voor een fooitje aan een vriendje verkochten, terwijl ik godver op m’n nest lag, na heel die tijd mezelf te pletter gewerkt te hebben. Nou, dat is dus ook nooit meer goed gekomen. De Staat der Nederlanden is met haar vette reet op al die schandalen gaan zitten die er toen gebeurd zijn en heeft nooit toegegeven dat er aan hun kant ‘wat dingen’ mis gegaan zijn.
Op een moment begon zelfs Minister van Justitie Job de Ruiter te balen van al het gedoe, én de publiciteit natuurlijk, en wij maakten een praatje over het geval. De Minister stelde voor om als arbiter Prof. H. Schadee te vragen en deze een uitspraak te laten doen. Het leek mij –toen- een strak plan!
Echter: wat ik niet wist - of hoorde van hem - was dat Prof. H. Schadee al vanaf 1961(!) op grond van een regeringsopdracht (Justitie) aan het nieuwe Boek-8-Vervoerrecht van het Burgerlijk Wetboek werkte, (april 1991 in werking getreden). Ook trad Prof. Schadee in de Tweede Kamer op als regeringscommissaris tijdens de behandeling der wetsontwerpen dienaangaande. Op de deur van zijn kantoor zag ik later –te laat dus– een trots opschrift: “Ministerie van Justitie”… Zo’n arbiter voorstellen is dus ongeveer hetzelfde – en even onpartijdig - als een bekerwedstrijd in het prof-voetbal te laten leiden door de Voorzitter van de favoriete club! Het kwam dan ook van geen kanten meer goed.
De Staat blijft gewoon negeren - toen en thans - dat een zeer groot deel van alle fraude die in Nederland voorkomt door de ambtenarij wordt uitgelokt, ook al omdat er nooit noemenswaardige sancties op volgen. De betrokken politieadjudant, de officier van Justitie, de ambtenaar van RWS, de Landsadvocaat, de Minister van Justitie in dit geval, zij gingen allemaal vrijuit. De grote schade bleef uiteraard voor ondergetekende. Letterlijk alle waarden, normen en fatsoensregels werden – en worden nog steeds – in deze kwestie door de Staat overtreden.
Vooruit, nog eentje: Wat jaren geleden werden er door Rijkswaterstaat wat foutjes gemaakt bij het bouwen van de laatste twee dammen in het Deltaplan. In plaats van deze dammen gelijktijdig op te trekken werden ze na elkaar gelegd waardoor sterke stromingen ontstonden in het Schelde-Rijnkanaal. De drukke Noord-Zuid scheepvaart in dat kanaal begon toen meer op een spelletje Russisch roulette te lijken en continu toezicht en verkeersbegeleiding werd tijdelijk dringend noodzakelijk. Om daadwerkelijk in te kunnen grijpen als er iets fout dreigde te gaan was de stationering van een krachtige sleepboot gewenst; om voor de duur van de bouw van de tweede dam eventueel assistentie aan schepen te kunnen geven. Dat werd ondergetekende, bij openbare inschrijving te Middelburg, en ik had er 7 maanden m’n handen vol aan; tot op 14 april ’87 de dam dicht was en de stroom weg. Ik was veruit de hoogste inschrijver, maar ik had toevallig de geknipte boot - pas nieuw ook – direct beschikbaar en mocht die periode dus op staatskosten voor de scheepvaart werken. Het karwei liep een paar maanden toen ik op de ochtend van 1e kerstdag ’86 wat gebak en een paar flesjes wijn op de RWS-boot af ging geven die continu aan de noordkant van het kanaal op station lag. Bij die gelegenheid vroeg de dienstdoende Riviermeester (Rijksambtenaar met opsporingsbevoegdheid) in het bijzijn van zijn collega’s aan mij: “…of zij aan dat contract van mij ook nog wat extra’s aan konden verdienen?” In plaats dat ik hem toen direct een kwartiertje of zo op zijn bek timmerde, deelde ik hem mee zoiets niet te durven doen omdat ik blij was met het contract, juist na de grote investering in de nieuwe boot, en ook zo’n risico niet wilde nemen. Ik voer maar weer weg, na nogal timide en stil daar aan boord nog een bakje koffie te hebben genomen.
Wat is/zijn hiervan nu het/de punt(en)? Een punt is, dat die ambtenaar-Riviermeester, voor hij die vraag aan me stelde, een afweging gemaakt moet hebben, een inschatting óf hij die vraag wel aan mij stellen kon. Hij meende ken-nelijk van wel. Hij schatte mij dus ‘laag genoeg’ in, (quod non).
Een punt is, dat de Riviermeester mij vroeg om zijn eigen werkgever – de Staat - te gaan bestelen en de (meer)opbrengst daarvan aan hen af te dragen. Hijzelf was te stom, te lui en/of te laf om iets anders te doen dan wat hij deed, maar hij wilde wel mee profiteren van de kwaliteiten en de arbeid van een derde, en durfde dan ook nog die derde te vragen om zich te corrumperen en te verlagen tot zijn eigen niveau. Een punt is, dat dit soort gedrag is doorgedrongen tot in alle lagen en sectoren van ons staats-bestel. Dieptreurig, maar waar is ook dat dit nooit meer weg gaat; dus van dat “de slechte ambtenaren aan de hoogste balk nagelen.” (Uitspraak van de Burgemeester van Maastricht bij Barend & van Dorp in de ‘Groenfraudezaak’) kan helaas om praktische redenen niets terecht komen. Een acute onderbezetting van de ‘Diensten’ zou immers het gevolg zijn.
Nadat het werk bij het kanaal al enkele maanden helemaal gereed was – ik had zelfs de eind-afrekening al betaald gekregen – werd ik gebeld door de administrateur van de Kanaal-beheerder. Deze vertelde mij dat ik mezelf tekort gedaan had in de werkuren telling. Ik zat aanmerkelijk lager dan de telling van “hun eigen mensen”. De ‘heren’ waren ondanks mijn afwijzing van hun plan toch alvast maar begonnen - én ook door-gegaan - met voor de inzet van mijn boot meer uren op te schrijven dan de werkelijk gemaakte tijd, met de bedoeling dat ik de aldus frauduleus ontstane meerkosten dan aan hen zou afdragen. Zij rekenden er kennelijk op mij wel te kunnen ‘omturnen’. Ik vertelde de administrateur, dat ik prefereerde om mijn eigen telling toch liever als de juiste te zien en beëindigde beleefd het gesprek.
Nog een voorbeeldje: We voeren een keer uit naar het vrachtschip ‘J’ aan de grond op een rivier. Voor we erbij kwamen was het schip weer vlot en we konden omdraaien, terug naar station. Later hoorde ik van de schipper van de ‘J’ hoe het gegaan was. Er was een RWS patrouillevaartuig langszij zijn vast-zittende schip gekomen en de Riviermeester (weer een andere) had aangeboden om de ‘J’ met het dienstvaartuig vlot te trekken, voor 800 gulden contant en zonder papierwerk. De schipper van de ‘J’ had het aanbod aangenomen. Dit staaltje ‘zwart werken’ leverde, behalve oneigenlijk privé-gebruik van een Dienstvaartuig, natuurlijk ook nog rechtstreekse concurrentievervalsing en misbruik van een machtspositie tegenover de particuliere ondernemer op. En als het nu bij deze ene keer bleef, maar het is eerder schering en inslag geworden.
Zo kan ik nog wel even doorgaan, met luiden.
Mijn conclusie: Hoezo, Normen & Waarden? Hoezo, de voorbeeldfunctie der Overheid? Al laat je tijdens het luiden de klokken over hun oren zakken, dan nog hoort ‘Den Haag’ niks, zodra het over de eigen club (oa. de ambtenarij) gaat! Mijn aanbeveling: Mijnheer Balkenende moet in plaats van voor de Tv camera steeds tegen de Burgers over “WAARDEN & NORMEN” te ouwehoeren zich rap omdraaien en dat praatje tegen de ambtenarij houden en ze daarbij hel en verdoemenis beloven – en ook geven – als niet binnen de kortste keren het kaf van het koren gescheiden wordt. De politiek moet ook niet langer liever de kop in het zand steken als het gaat over uitgelokte corruptie en misdrijven door ambtenaren en er eens niet direct ook met het vingertje naar de particuliere ondernemer kan worden gewezen. Zo, hèhè, dat was het weer even… ORKAAN OP HET HARINGVLIET, DEEL-3ORKAAN OP HET HARINGVLIET, DEEL-3
De tweede gebeurtenis is, dat nu die beruchte en dramatische ‘Poststaking’ in dat jaar uitbreekt. Drie lange weken wordt de post zomaar neer geflikkerd in alle postkamers van alle Ministeries. Drie meter hoog worden de postzakken opgetast. Als destijds de balen koffie in een Oostinje-vaarder van de roemruchte Compagnie, waarvan de roemrijke geest onze huidige Premier zo na aan het hart ligt... Die, in heroïsche veld- en zeeslagen, maar ook in grootschalige drugs- én slavenhandel beginkapitaal vergarende, dappere voorloper van onze fiere Koninklijke Neder-landse Marine... Die toen het financieel lekker de moeite waard werd, fluks omgevlagd werd naar de frisse kleuren van ons Koninklijk Huis! Ik begrijp dan ook helemaal niks van die kinderachtige Haagse bezwaren tegen ons aller Mabel. Hypocriet ge-Balk, dat is het! Maar dit even terzijde… En daar ergens, tussen die miljoenen brieven, bevind zich post…van mij en voor mij. Waarmee niets gebeurt, waarvan ik niets weet, noch hoor! Ik krijg de ene levensbedreigende wegtrekker na de andere als ik op het NOS journaal of in de krant het oliedomme gedoe aanzie. Met die Jaap Van der Scheur steeds op TV. Elke lange wachtdag opnieuw. Gátfer! Ten einde raad, er is nog geen zicht op het einde van die staking, bel ik weer met Defensie. De telefoon werkt gelukkig nog. Ik krijg daar een soortement comptabele aan de lijn en leg hem mijn kwellende probleem uit. Dat is zeer in het kort, dat ik gloeiende, vlammende nou m’n centen mot beuren! Hij raakt min of meer overtuigd van de acute ernst van de situatie en spreekt eindelijk het verlossende woord: ‘Komt u maar weer naar Den Haag, met een kopie van Uw factuur. Dan zullen wíj het hier wel even verder bekijken.’ Ik snor opgetogen in m’n manke Fiatje naar Den Haag. Het voertuigje trekt - sinds toen – wel een beetje naar stuurboord op het roer? Maar ik kom toch, dank zij mijn vorige beloodsing zonder weer te verdwalen bij de statige groene deuren aan en wordt ontvangen door de hulpvaardige comptabele. Die bestudeert minuten lang m’n factuur van vier regeltjes. Alsof het een zeer vroeg geheim hiëroglyfenschrift uit het oude Egypte is, door mij op slinkse wijze uit dat verre land gesmokkeld. En hij komt er glad niet uit! ‘Ik vrees dat ik u hier geen uitsluitsel over kan geven. Het beste kunt u even naar onze Marine-afdeling in Scheveningen gaan. Daar kan er wel over beslist worden, denk ik.’ Oh jee, denk ik. Dit wordt weer helemaal shit-tot-de-vierde-macht. Maar ik klamp het pennelikker-tje nog één keer goed aan: ‘Weet u wat! Waarom gaan we niet effe samen? Ik breng u weer hier terug. Vast beloofd, erewoord!’ Hij kijkt me eerst nog een beetje twijfelend aan, over dat erewoord en zo, maar besluit dan man-moedig dat hij het gaat wagen. Op naar Scheveningen! ‘Anders zit hij daar toch maar de hele dag op dat stoffige bureel.’ ‘Dóen, kom op!’ We schepen samen in op het MV (Motor-Vehikel) Fiat en navigeren in een wipje naar Scheve-ningen. We stoppen op aanwijzing van mijn Marineloods bij een helemaal glazen gebouw. Een ultramodern zeezenuwcentrum, en de hoogglanzende sublimatie van onze niet geringe mari-tieme historie. Binnengelaten door een admiraal in ruste, lopen we wat rond in almaar spiegelen-de gangen met overal ruim doorzicht naar weer andere vleugels van glas, allemaal precies het-zelfde. Dus m’n Defensieloods verdwaalt. Niet te weinig! Hij wordt er helemaal nerveus en zwe-terig van. Nou, ik snap niet waarom hij zich zo druk maakt. Ik heb hem immers al lang verteld, dat ik nooit meer weg ga, hier uit deze giga-glasbak vandaan, tenzij de boel afdoende geregeld wordt... Nu! Grrr! In alweer de ‘tigste gang is een interieurverzorgster bezig met een wagentje vol schoonmaak-spulletjes. Ze lapt de ontelbare ramen. Een wereldbaan hier, met letterlijk onbeperkt uitzicht op een geregeld inkomen. M’n maat vraagt ten einde raad aan de stug doorlappende juffrouw naar een bepaald kamernummer, geheimzinnig samengesteld uit een hele trits letters én cijfers. ‘O,’ zegt ze, ‘Niks an. Deze gang, die kant op, de tweede afslag rechts, dan eenmaal links en dan de eerste deur rechts. Kan niet missen!’ Zij is gewoon een echte insider… We enteren die kamer op en staan nu bij een échte Comptabele. De man is nog jong en heeft ook doorgeleerd. Én hij is joviaal en vooral begrijpend. Hij werpt een vluchtige blik op mijn als een kostbaar staatsgeheim gekoesterde kopiefactuur en zegt: ‘Dat factuurtje ziet er prima uit. Daar is helemaal niks mis mee!’ Hij grabbelt een groot stempel uit het molentje met allerhande stempels op zijn bomvolle, met dossiers overladen bureau, plonst het diep in een inktkussen, en ramt een stempel op mijn factuur, alsof hij voor de eerste keer de funderingen van het gebouw nu eens grondig aan het testen is. Hij kijkt me vriendelijk aan en zegt: ‘Zullen we zeggen veertien dagen? Dan hebt u de betaling zéker binnen.’ Diep bewogen door zoveel vastberaden doortastendheid en rotsvast geloof in eigen verantwoor-delijkheid en kunnen, neem ik zijn beide handen en stamel ontroerd een bedankje. We verlaten het – dankzij de interieurverzorgster – verblindend spiegelende en vonken schietende pand, wankelend van de emotie en ook met lasogen, en ik breng het pennenschuivertje óók met dank naar z’n hut. Beloofd is beloofd, niet dan! Ik vaar terug naar mijn thuishaven, met hernieuwde hoop voor de nederige en eenvoudiger leden der mensheid. Tien dagen later: 28-11-‘83, zit de overboeking bij de post.
Pauze…
Pomperdepompom…♫☺ BEWIJS! BERGINGS- & SLEEPDIENST THEUNISSE
DE WEER/WIND-ONTWIKKELING In de avond van 31-1-83 aanwakkerende wind ZW 8 Bf; later ruimend WZW en toenemend tot stormkracht 9 Bf. te ± 24,00 uur. (tijdstip van stranding). Van 24.00 tot 10.00 uur storm WZW tot W. kracht 9 tot 10 Bf. (1-2-83). Gedurende enige tijd in de vroege morgen piekte de wind regelmatig 12 Bf. Van 10.00 tot 16.00 uur storm W tot NW. kracht 10 tot 11 Bf. Voor de OMMEN en NAARDEN vlotgebracht werden liepen beide schepen reeds schade op aan de kiel. De NAARDEN kreeg ook schade aan SB schroef. Voorts hadden beide schepen nagenoeg geen eigen voortstuwing, alsook geen hulpbedrijf meer door zandverstopping van het motorenkoel-systeem. De schade aan de kiel ontstond uiteraard door de zeegang. Deze schade zou aanzien-lijk zijn verergerd indien de schepen na 10.00 uur nog niet zouden zijn vlotgebracht, omdat na dat tijdstip de zeegang door de ruimende en nog in kracht toegenomen storm aanzienlijk vermeer-derde en het water weer ging zakken. Verder waren de beide schepen onder de heersende om-standigheden absoluut niet meer met eigen vermogen manoeuvreerbaar (kiel aan de grond, steeds verder de zandbank op driftend door de, bij relatief geringe diepgang, enorme windvang). Conclusie: Door de geslaagde berging is aan Hr. Ms. OMMEN en Hr. Ms. NAARDEN zeer zware schade cq. totaal verlies voorkomen. ~~~~~~~~~ MINISTERIE VAN DEFENSIE Koningin Marialaan 17 Telegramadres: Marine Den Haag Telex nr. 31335 AAN: Mr. E. Fleskens, advocaat en procureur DE MINISTER VAN DEFENSIE, MR. FLESKENS, ADVOCAAT & PROCUREUR AAN HET MINISTERIE VAN DEFENSIE TILBURG: 18 maart 1983 Weledelgestrenge Heer, MR. FLESKENS, ADVOCAAT & PROCUREUR AAN DE MINISTER VAN DEFENSIE T.a.v. Mr. F. A. von Heijden, Koningin Marialaan 17, Den Haag TILBURG, 11 april 1983, INZAKE: Theunisse/berging Ms. Naarden, Ms. Ommen, 1006872-/1004679
Weledelgestrenge Heer, Uw brief van 5 april 1983 ontving ik in goede orde. Het is mij niet duidelijk op welke gronden u aanneemt dat ik niet verbaasd ben over het feit dat u ruim twee maanden na het incident nog steeds niet de rapporten terzake heeft ontvangen. Het is gebruik in bergingszaken dat de berger tezamen met de opdrachtgever in overleg treedt, in een poging in der minne een bergingssom overeen te komen. Daarbij hebben partijen de vrijheid om argumenten pro en contra aan te voeren. Eerst indien dergelijke onderhandelingen definitief niet tot overeenstemming leiden heeft het pas zin een concreet bedrag te claimen. Ik zou u daarom willen voorstellen een aantal alternatief data en tijden aan mij op te geven waarop over deze kwestie kan worden onderhandeld. Mogelijk dat u tevens een suggestie heeft omtrent de locatie waar zulks zou moeten plaats-vinden. Ik zou u zeer erkentelijk zijn indien ik op korte termijn een uitnodiging daartoe ontving. Hoogachtend, Mr. E. Fleskens
MINISTERIE VAN DEFENSIE Afdeling: civielrecht Ons voorstel-/opdrachtnummer 1009208/1004679 Naar aanleiding van de brief van Mr. E. Fleskens dd. 7 juli 1983 waarin vermeld staat dat zowel Smit International als u akkoord gaan met een betaling van f 25.000- op uw postrekening 2759256, deel ik u mede dat voormeld bedrag binnenkort op uw postrekening zal worden over-gemaakt. Het bedrag van f 25.000- kan worden aangemerkt als een voorschot op het uiteindelijk te betalen bedrag aan bergloon.
DE MINISTER VAN DEFENSIE
MINISTERIE VAN DEFENSIE Aan de heer G. Theunisse Directeur Personeel Koninklijke Marine. Afdeling Civielrecht Datum 10 oktober 1983, Met verwijzing naar de bespreking op 21 september 1983 te Rotterdam, deel ik u mede dat ik bereid ben voor de hulpverlening op 1 februari 1983 in het Haringvliet aan de schepen Hr. Ms. Naarden en Hr. Ms. Ommen door de sleepboten Furie-2, Spitsbergen en Noordpool tegen finale kwijting een bedrag van f 150.000- (Eenhonderd en vijftigduizend gulden) te betalen. Aangezien een bedrag van f 25.000- inmiddels aan u betaald is, zal een bedrag van f 125.000- op uw post-rekening nr. 2759256 worden overgemaakt. Ik verzoek u mij een verklaring toe te zenden waaruit blijkt dat u na ontvangst van f 125.000- op uw postrekening, de Staat der Nederlanden (ministerie van defensie) finale kwijting verleent inzake bovenvermelde hulpverlening. Tevens verzoek ik u mij een verklaring van Smit International te doen toekomen waaruit blijkt dat zij u gemachtigd hebben deze zaak namens hen af te doen.
HET HOOFD VAN DE AFDELING CIVIEL RECHT Mr. F. A. von Heijden, wnd.
SMIT VOS BV Zalmstraat 1, 3016 DS Ministerie van Defensie Afd. Civielrecht. T.a.v. Mr. F. A. von Heijden Postbus 20702 2500 ES ‘s-Gravenhage Uw ref: 1010623/1004679 Datum 11 oktober 1983 Betr: Berging Ommen en Naarden
Met referte aan uw brief d.d. 10 oktober jl. gericht aan Bergings- en Sleepdienst Theunisse te Dinteloord, delen wij u mede er geen bezwaar tegen te hebben, dat het totaal overeengekomen hulploon wordt overgemaakt aan Berging- en Sleepdienst Theunisse. Voor het ons toekomende deel uit dit hulploon verlenen wij u hierbij finale kwijting. Hoogachtend, SMIT-VOS BV. MINISTERIE VAN DEFENSIE Directie: Juridische Zaken, Telegramadres: Marine Den Haag ‘s-Gravenhage, 11 Nov. 1983. Naar aanleiding van uw brief van 11 oktober 1983 breng ik voorzover nodig nogmaals onder uw aandacht dat op 21 september 1983 te Rotterdam partijen volledig overeenstemming hebben bereikt inzake het dezerzijds te betalen bedrag aan hulploon. Na veel wikken en wegen gingen beide partijen akkoord met het bedrag van f 150.000-. Over BTW. is door u noch door de heren Noordzij en Bom van Smit Vos B.V. gesproken. Het was tijdens die bijeenkomst voor een ieder der aanwezigen duidelijk dat het aanbod van f 150.000- het uiterste bod was waartoe de Koninklijke marine bereid was. Derhalve verzoek ik u mij de verklaring toe te zenden als verzocht in alinea 3 van mijn brief van 10 oktober 1983.
DE MINISTER VAN DEFENSIE, voor deze, Nou…? Nou…?
EINDE
ORKAAN OP HET HARINGVLIET, DEEL-2ORKAAN OP HET HARINGVLIET, DEEL-2 NAGENIETEN Het is toch nog bijna een jaar geworden voor we de centen beurden. Maar ja, de Staat, hè... Op een dag was ik het wachten op Janlul weer eens helemaal zat. Ik denk: ik rij morgen naar Den Haag, naar Defensie en ik maak een praatje met die man daar, die de zaak in behandeling heeft. En ik maak geen afspraak! Ik val hem zo op z’n dek, fris van de lever. Ik de volgende morgen vroeg dus even naar Defensie tuffen. Jaja… Mezelf in het Fiatje gewurmd en naar Den Haag; tot voorbij Voorburg gaat het nog goed. Ik was natuurlijk al vaak zat naar Den Haag geweest. Naar de Minister van Justitie op de Schedel-doekshaven was dat. Voor een heel ander bergingskarweitje was dat. Gòtochòtochot…! Dus ik weet ongeveer de weg, maar nu moet ik na lange tijd weer eens in het oude centrum zijn. Zoeken, zoeken... Een stukje na Voorburg is er ook nog een wegomlegging en ik verdwaal na-tuurlijk. Ik heb geen bijgewerkte kaarten van dit stuk kust. En in de vaarberichten stond ook al niks over deze stremming! Bij een bushalte staat een ouder mevrouwtje op de stadsbus te wachten. Het is een kwiek en letterlijk pinnig dametje, in een grijsblauwe regenjas en met een hoedje op haar hoofd. Uit dat hoedje steken twee van die stalen pennen omhoog, tussen wat onduidelijke camouflage van plastic fruit vandaan. Als de antennes van een ouwe, sacherijnige, Russische spionagetrawler. Het ziet er maar knap gevaarlijk uit... Ik stop en vraag haar de weg naar het Ministerie van Defensie in de Koningin Marialaan. ‘Oh!’ kirt ze opgewekt. ‘Wat toevallig nou zeg, dat u dat aan mij vraagt! Ik woon daar vlakbij in een zijstraat ervan. En ik ben op weg naar huis! Weet u wat, ik stap in bij u en dan wijs ik u de weg. Dan ben ik ook weer gelijk waar ik zijn moet. Grappig, niet?’ Het dametje stapt kwiek in en priemt rechtdoor met haar vingertje: ‘Rijden maar, hoor. Ik zeg wel hoe!’ Nou. Toen begon het… Ze begint te ratelen over de buren, over haar waardeloze aangetrouwde familie, over het slechte weer, de politiek. Over alles! En de hele tijd met d’r telegraafje op ‘Volle-Kracht Vooruit’; ook dat nog. ‘…Nou, ik zeg tegen haar van twee hoog achter, ik zeg… U moet hier naar rechts, hoor… Oeps! Jeetje, dat ging maar net goed, hè. Nou, ik zeg dus, ik zeg, mens, het is me toch wat! …Ja, hier links ja... Goed zo! Dat deed u nog nét heel goed, hoor! …Waar was ik ook alweer? Oh ja, ik zeg dus tegen haar, mens…het is toch gewoon een schandaal, hè. Ik zeg… Oh jee! U moest hier eigenlijk weer naar links, hoor…!’ Ik draai zo snel mogelijk bakboord uit. Net ietsje te laat... We bonken met de stuurboordwieltjes ruimschoots over de stoeprand van een mooi bloemperk, tussen de twee rijbanen van de brede laan waarop we rijden…net voordat we opstijgen. Ik peil gelukkig in de gauwigheid die voorbij-flitsende, dikke plataan net mis. Er vliegen voorbij de stuurhutramen wat geraniums door de lucht. Het lijkt precies op rood en groen buiswater, dat wel es langs de boordlichten jaagt als je in erg zwaar weer zit... Met een rotklap kwakt het Fiatje weer van de andere stoeprand af. De tram die juist van stuurboord op het groene stoplicht afkomt - groen voor hem dan - gaat met jankende motoren op volle kracht achteruit en begint pisnijdig met z’n ankerbel te rinkelen, terwijl hij ook nog een overdreven lang attentiesein met de misthoorn geeft. Maar ik heb nu even geen tijd voor hem. Ik kan maar net de straat van de nieuw opgegeven koers bezeilen. En ik heb ook net die tic aan mijn linkeroog weer even gevoeld… Het vrouwtje rechts van me is eventjes – de twee luttele seconden die we vlogen - erg stil gebleven. Met een schuin oog kijk ik eens naar m’n navigator... Ze begint juist te giechelen. ‘Gossie, u bent maar een wildebras van een chauffeur, hoor!’ Ze is nu blootshoofds. Haar hoedje zweeft boven haar, aan het dakhemeltje van m’n Fiatje. Die gevaarlijk scherpe pennen er dwars door heen geboord. ‘Oh jeetje, kijk nou toch eens! Wat bent u toch een mallerd!’ Ze plukt het hoedje uit míjn hemeltje, frummelt er wat model terug in en zet het weer stevig op haar hoofd. Klaar voor de volgende aanval. Dan kwebbelt ze gewoon verder! ‘Hier aan het eind moet u rechtsaf, hoor! Ja, ik zeg het maar alvast, hè. Hihihi! We zijn er nu zo, hoor! Gossie! Nou ben ik toch nog vlugger thuis dan met de bus. Dat heeft u heel goed gedaan, zeg! Ja, hier! Ziet u wel. Hier is het! Hier moet u zijn. Zit u in de politiek, of zo? Dat u helemaal van Brabant naar hier komt rijden? Oh, u vaart! Oh, ja natuurlijk! Nou dan bent u hier goed, hoor. Dit is de Marine, weet u. Nou, zeer bedankt voor de rit, zeg! Dag meneer. Nog goede zaken vandaag, hè! Dáág!’ Ik heb nu ook weer die vreemde lichte trekkingen in allebei m’n handen, wachtend op het groene licht bij de statige poort naar de parkeerplaats. Ik kijk op de parkeerplaats toch onwillekeurig even naar het dak van het Fiatje. Mmm, nee, geen gaatjes in m’n opperdek... Eerst maar eens melden bij de Receptie, nog een beetje trillerig: ‘Ik wil graag, maar wel zeer dringend Mr. von Heijden spreken.’ Ik krijg eerst een bezoekerspasje. Zo’n kek labeltje voor op de jas. Dat je tijdelijk goed bevonden bent om in dit uiterst gewichtige pand te verkeren. De receptiedame raadpleegt intussen een soort logboek op haar bureautje. Op Defensie werkt, nou ja…is aanwezig, 2500 man. Vredestijd tenslotte; ongeveer dan. Dus het is een flink boek. ‘Ach,’ zegt ze even later. ‘Wat spijtig nou voor u! Mr. Von Heijden heeft zich juist ziek gemeld, net een minuutje voor u aankwam. Hij heeft spit, ziet u...’ ‘Gògògò…!’ Ik ga eerst maar een bakje koffie kopen in de kantine. Om weer een beetje rustig te worden en om deze ernstige grondberoering te overdenken. Maar ik wil toch wel eens weten waarom het allemaal weer zo verrekte lang duurt om een hulploontje uit te keren. En zéker nu, na er zojuist zo’n levensgevaarlijke reis voor gemaakt te hebben. Dus ik weer naar binnen en vraag naar de Chef van die Von Heijden. En rap een beetje! Nou, daar komt een tijdje later een figuur in uniform aan, met zo’n zilveren plaat voor z’n dikke buik, bungelend aan een ketting om z’n nek. Zo’n officier van piket heet dat, geloof ik. Hij vraagt me hooghartig glimmend naar de reden voor mijn bezoek, dus ik vertel hem die. Dat ik nu onder-hand wél de centen voor m’n werk beuren moet! Hij staat me eerst een tijdje ietwat glazig aan te staren. Alsof ik helemaal met de sloep van het Hellegat ben komen roeien, net als Captain Bligh van de Bounty toen deed. Maar dan brengt hij me toch door een hele zwik gangen en trappen naar de zoveel honderdste kantoordeur. Ik moet eerst even buiten blijven, zegt hij. Dan zal hij eerst de Chef inlichten over mijn vraag. Ik dus weer tien minuten wachten op die onafzienbare gang. Het pikethaantje, met z’n zilveren plaat schitterend als een paradijsvogel, komt weer naar buiten uit dat kantoor vandaan en zegt: ‘de Chef meent dat u de zaak maar beter aan uw advocaat kunt overlaten. Nu u die inmiddels (!?) hebt ingeschakeld, wil en mag de Chef eigenlijk alleen met hem praten...’ Wat gaan we nou weer beleven? Barst nou effe! Ik ben Partij hier en de Chef is van de ándere Partij. Wij zullen praten als ik dat wil! Ik zeg de piketvogel dat ik acuut mot bellen. Nu! Hij stoomt me ijlings voor naar een leeg kantoor, maar wel met een telefoon. Ik graai een van de vele brieven van Eric uit mijn koffertje en wijs hem op het telefoonnummer in het briefhoofd: ‘Draaien jij, dat nummer, en je vraagt naar Maître Eric!’ Hij bestudeert de brief eerst secuur onder de lamp; alsof ik ernstig verdacht wordt van vervalsing van Staatsobligaties. Maar dan draait hij toch het nummer en zegt: ‘Goedemiddag meneer. U spreekt met het Ministerie van Defensie in ’s-Gravenhage. Ik heb hier ene meneer Theunisse te spreken voor u. Een ogenblikje alstublieft…’ Dan geeft hij me de hoorn en gaat in het open deurgat staan wachten, maar wel met allebei zijn oortjes op de wind. Eric is aan de lijn en zit zich helemaal te pletter te lachen. Eindelijk kan ik verstaan: ‘Hé halve zool! Mòòge. Wat ben je dáár nou weer aan het uitspoken?’ ‘Eric luister! Ik ga vanmorgen hier gewoon even in alle rust netjes en beleefd vragen of ze onder-hand een beetje op willen schieten met mij m’n zuur verdiende centen te betalen, en nou wil die verrekte Chef hier niet met me praten! Die Mr. Von Heijden is uitgerekend vanmorgen ziek thuis gebleven. En z’n baas zegt, dat ie alleen met jou zaken doet. Nou, bij dezen en voor nu vandaag geef ik jouw op staande voet de zak. Gesnopen? Jij zegt zodadelijk tegen die vent hier, dat je niet langer voor mij optreed. Of ik flikker hier subiet zomaar iemand het raam uit!’ De piketvogel trekt zich onmiddellijk tactisch terug uit het deurgat en neemt met spoed de kuier-latten. Eric zit zich volkomen ongepast te bescheuren en hikt na een knap tijdje in de telefoon: ‘Oké, oké, gesnapt. Geef me die joker maar even terug!’ Ik pleur de telefoonhoorn op de tafel en storm naar de deur… Sodeju, bijna te laat. De piketvogel is al bijna naar het eind van die lange gang geslopen. Ik zet een paar stappen in z’n richting en sein hem vriendelijk doch dringend of ie even aan de telefoon wil komen: ‘Er is een berichtje voor u.’ Het klinkt lekker door in die gang - ik hoor mezelf wel drie keer terug echoën - en de securité oproep wordt luid en duidelijk door hem ontvangen. Hij komt aarzelend terug schuifelen, - schuchter en sidderend als een jonge maagd in de allerlaatste seconden van haar reeds zo wankele existentie - en hij luistert wat Eric hem te vertellen heeft: ‘Oh nee, meneer! Ach ja, meneer. Wat spijt me dat nu voor u. Natuurlijk meneer. Ik zal deze boodschap onmiddellijk aan de Chef overbrengen. Dank u wel meneer. Dag meneer.’ Hij legt de hoorn heel zachtjes neer - als ware het een kostbaar en fragiel kleinood - en zegt: ‘Uitstekend meneer. Ik denk dat de Chef u nu wel te woord zal staan. Wilt u mij maar volgen?’ We gaan weer terug naar het kantoor van de Chef. De piketvogel klopt, opent de deur en we staan in een voorvertrek, waar het bureau staat van de privé-secretaresse. Ze is op al wat verder gevorderde leeftijd, met mooi verzorgd, zilverwit haar. Ze staat statig half op van haar stoel… Maar de piketvogel stormt zonder ook maar even toeren te minderen gezwind en met militaire pas dwars door de kamer naar een deur in een matglazen tussenwand, natuurlijk op de voet ge-volgd door moi, op een errug kort trosje. Pas dan begint zij te spreken: ‘Meneer, ik moet u nog wel weer aandien…’ Maar het hoeft al niet meer. Wij zijn intussen al doorgestoten tot het hart van de tegenpartij. Haha! Eindelijk in het centrum van ‘DE MACHT’! Daar tref ik een piepklein oud mannetje achter weer een bureau, maar een veel mooier en groter. Het is gemaakt door een echte kunstenaar. Van zacht glanzend, prachtig donker, bijna zwart hout. Op één dossiermap na, die geopend voor hem ligt, is het blad helemaal blinkend schoon leeg. Het baasje van dit prachtbureau is zo stokoud, dat ik amper m’n ogen geloof. Die hebben ze hier gewoon vergeten! Het flitst plotseling door m’n kop… Zomaar geabandonneerd uit de tijd dat Napoleon werd verslagen en hier met een rotgang buiten geknikkerd. En hem zijn ze glad ver-geten mee te geven…! Aan de muur achter hem hangt een heel mooi schilderij van een antieke, dwars getuigde oorlogsbodem, trots kruisend onder volle zeilen op een woelige stormzee en vol met enorme strak uitwaaiende tricoleurs, en vele meters lange oranje wimpels. Veel dreigende kanonslopen zijn zichtbaar uit de twee grimmige rijen open geschutspoorten. Het schip is hele-maal klaar voor alweer een volgende grootse en vernietigende zeeslag. Dát was zíjn laatste schip…! Ik weet het gewoon zeker. Ik zweer het je! Zijn laatste schip. Tjee-zus!
Mijn voorhoedeman staat besmuikt en eerbiedig van alles te mompelen tegen het oeroude zee-cherubijntje. Het laatste gaat over bescherming voor hem, over op wacht blijven staan en verster-king aanvragen en zo. Maar het mannetje wuift hem met koel-zilte blik en een achteloos handge-baar de kamer uit. Mijn eerdere voorhoede verdwijnt nu gedwee in de achterhoede. Hij retireert bakzeilend voorbij de glazen wand, de deur onhoorbaar achter zich sluitend. Zo: nou zaken doen? Ah! Niet dus! Nou ja, bijna niet… Het levend gepekelde mummietje begint nu aan een ellenlange monoloog. Werkelijk vele, vele minuten bazelt hij door op dezelfde, eentonige, belerende, collegeachtige dreun. Hij zanikt maar door over ‘het systeem’ en over de ‘voorschriften’, die nu eenmaal gelden in de Marine-bureaucratie. Hij declameert in gedragen tonen over de van hen - de door Hare Majesteit zelve aangestelde en ingezworen dienaren der Landsverdediging – eenvoudig dwingend geëiste zorgvuldigheid in zulke hoogst ernstige aange-legenheden als de onderhavige, enz, enz. Zo lang duurt het monotone gereutel, dat ik er oplaatst helemaal van kalmeer. Sterker nog, ik val zowat in slaap! Maar wacht es even… Dit is gewoon de sinds vele eeuwen beproefde en tot in perfectie uit-ontwikkelde standaard afleidingstactiek van tóen en nú! Blijven leuteren en liegen tot ze er on-machtig bij neer donderen. Dat is het! Zo gaat het altijd. Misleid eerst zoveel mogelijk den vijand. Sus hem in slaap en hypnotiseer hem. Bedrieg hem tot hij van pure ellende begint te snotteren. En val dán aan en vernietig die amechtig tegenspartelende, hondsbrutaal en ongevraagd uit het ignorante schuim des volks opgestane vlegel! Het Nederlandse Poldermodel ten voeten uit! Tsss! Vertel mij wat…
Eindelijk stopt het pekelvretertje even om een beetje koelwater in te nemen voor zijn roestige keteltje. Het wordt door hem met een beverig klauwtje voorzichtig uit een kristallen karafje inge-schonken in een mooie roemer op gouden voet - beiden geplaatst op donkerblauwe fluwelen onderzettertjes op zijn kostelijke bureaublad – welk garnituurtje hem zojuist werd gebracht door een hautain naar mij loerende, zwaar beledigde secretaresse. Op dat moment schrik ik gelukkig toch op. Direct weer wakker neem ik de enige kans waar om nog te ontsnappen aan zijn fatale omsingelingstactiek. Die anders zonder enige twijfel alweer mijn nederlaag gaat betekenen. Ik vraag hem beleefd doch dringend of hij er a.u.b. voor wil zorgen, dat er dan nu toch maar een beetje opgeschoten gaat worden. Dat hij toch wel begrijpt dat wij niet alsmaar kosten kunnen blijven maken en dan telkens veel te lang op betaling moeten wachten. Dat wij, toen in die angstig donkere stormnacht zo dringend om hulp werd gesmeekt, er wél waren. En, niet opgeroepen door een aartscorrupt Rijksambtenaartje op een Rijkspolitiebootje voor het veiligstellen van een inbeslaggenomen zendschip, maar door nota bene maar liefst twee schepen tegelijk van Hare Majesteit’s Marine, wél direct zijn uitgevaren en nog wel onder bepaald onvriendelijke, ja zelfs niet geheel ongevaarlijke omstandigheden. Dat hij er goed aan zou doen om me dan maar alvast een voorschotje te geven als het ‘systeem’ zoveel tijd nodig blijft hebben. Dat ik daar godsammekrake nu eigenlijk noodgedwongen op moet stáán!
Ha…! Het oud-belegen zoutzakje lacht nu plots een heel klein beetje, met uiterst zwakke hikge-luidjes, opborrelend uit zijn verkreukelde standpijpje. Er twinkelt zowaar een miniem pretlichtje in zijn waterige, reeds eeuwenlang geloken oogjes! ‘Ach, ja... Meneer Theunisse, ik denk bijna, dat onze Minister, Prof. Mr. J. de Ruiter, u nu wel een kleine geste zou willen gunnen onder deze vrij urgente, dwingende omstandigheden. Weet u, wéér gaan ontkennen, dat wij u überhaupt iets verschuldigd zouden zijn gaat indeze niet goed meer op, vrees ik. Ik heb begrepen, dat onze gezagvoerders na dat onfortuinlijke evenement bepaalde hè… stukken van u ondertekend hebben, nietwaar? Daaruit zou door bijzonder kwaad-willige, enigszins juridisch onderlegde lieden met wat moeite misschien zelfs een zekere ver-schuldigdheid onzerzijds tot het doen van enige betaling aan u kunnen worden afgeleid. Dus alvast een passend gematigd deelbetalinkje? Ach, waarom ook niet. Och,…Ja…ja, bij nader inzien denk ik wel dat ik iets dergelijks zelfs enigszins zou kunnen verdedigen bij zijne Excellentie. Wat meent u? Zou vijfentwintig mille - alvast op voorhand - u verder kunnen helpen? Wij ontvangen dan natuurlijk wel graag een verklaring voor akkoord met een dergelijk arrange-ment van uw, hè… uw collega's; Smit International, bedoel ik. Als u dat eerst even met die lieden in het Rotterdamse zoudt willen bespreken? Van de uitkomst waarvan zij mij dan wel even schrif-telijke bevestiging mogen doen toekomen? En dan… ach ja, dan zullen wij u wel dat voorschotje overmaken. Dat kan ik u hier en nu wel toezeggen, jawel hoor.’
Nou ja, het is in elk geval weer wat. Ik bedank het oudgediende zeezwendelaartje vriendelijk. Maar met wel wat lichte aarzeling schud ik uiterst voorzichtig zijn uitgestoken handje. Het ziet er zo broos en kwetsbaar uit. Dadelijk valt het er nog af! Ik vergeet dan ook maar gauw wat hij zat te bazelen over niet meer onder betaling uit kunnen komen, omdát er nu eenmaal bepaalde stukken waren getekend. Grrmpf! Dat akelige zeekaboutertje. Die ziltige minitrol uit het koude, mistig mystieke Ultima Thule! Maar ik verlaat toch opgelucht en aardig gekalmeerd het pand met de statige donkergroene deuren, na mijn bezoekerspasje te hebben ingeleverd bij de vriendelijke, hulpvaardige receptiedame. Nou, ik ben nu toch bezig aan mijn opstoot in de vaart der volken, doorgedrongen tot in het ‘Cen-trum Van De Landsverdediging’ als ik zojuist was. Laat ik dus ook maar even in de Zalmstraat aangaan. Weer een ander bolwerk in de Galaxies der echt belangrijke groten der aarde! Ik laveer zonder verdere zenuwschokkende avonturen buitengaats van de Haagse krikkemikken en anker even later veilig in de parkeergarage aan de Zalmstraat. De portier meld me aan bij Joop en Bram, en op hun kamer aangekomen breng ik aanvankelijk een globaal rapport uit over mijn landverkenningen in Den Haag. En uiteraard ook over het beloofde voorschot van 25 mille. Bram zegt direct toe dat ze Defensie een verklaring van geen bezwaar zullen sturen. Mooi! Die komen alvast binnen. Het zal potdomme een keer tijd worden! Maar dan beginnen die sekreten natuurlijk weer mierenneukerig naar de details van deze korte walreis te vragen en te zeuren. Ze blijven net zolang emmeren, klieren en zuigen, dat het er uit-eindelijk toch van komt, dat ik alle randverschijnselen ook moet opbiechten. Over het verdwalen, het kwebbelende loodsvrouwtje, het levensgevaarlijke hoedje, m’n haastklusje aan het midden-bermplantsoentje, de piketvogel, het stokoude zeebonkje, het mooie schilderij, enz, enz. Nou ja, terwijl ik dat allemaal zo sta te vertellen, begint eerst Joop van die rare, gierende wurg-geluidjes te maken en Bram valt hem onmiddellijk bij, met blauw aangelopen, bulderende explo-sies. Ik kan mezelf amper nog verstaan, zoveel herrie maken ze! De bloedmooie secretaresse van Bram is dan alreeds met twee handjes voor haar toch aanbiddelijke mondje de kamer uitge-vlucht. Maar ze komt even later dapper terug, haar uiterst attractieve zelf weer geheel in de hand hebbend – denkt ze - nu in gezelschap van Heer Scheffer. U weet wel, toentertijd de opperbaas van dat Sleep- & Bergingszaakje. Sodeju! Wat een bende. Nou wordt die onder dwang afgetrog-gelde rapportage van me helemáál een zooitje! Afijn, de allerlaatste bespreking van het geval is in het Witte Huis in Rotterdam. Daar zetelt het uiterst gerenommeerde Expertisebureau van H. S. & N. Een hunner top-expert’s, Dhr. van Dorp - een rechtschapen, kundige en integere man - komt namelijk in deze laatste beslissende slag op voor de Koninklijke Marine. Verder komt er een heel konvooi opdagen. Een heleboel Marinegoud gaat binnen. Echt heavy! Het lijkt wel een admiraliteitsvergadering der Zeven Provinciën vlak voor een laatst offensief ter verovering van de absolute hegemonie op de wereldzeeën. Joop en ik zijn mooi op tijd. Ook de Landsadvocaat gaat binnen...
‘#@ %&!>!*♫☻?,... ‘DE LANDSADVOCAAT’…!???!
De Landsadvocaat, Mr. Brant Wubs deze keer, is me net een seconde voor als ik vlak achter hem binnenval. Met m’n manometertje dik in het rood en de overdruk aan adrenaline uit alle vei-ligheidskleppen nutteloos wegvliedend in m’n kolkende kielzog. ‘Meneer Theunisse! Hahum…meneer…! Voordat u alweer ontploft. Ik ben hier nu enkel en alleen maar aanwezig voor het ge-val we er eventueel, misschien, mogelijk, NIET uit zouden komen. Dan moet er bekeken worden wat we verder gaan doen en daarvoor alleen ben ik hier. Verder bemoei ik me nu nergens mee. Echt niet!’ Eerlijk is eerlijk, dat doet hij ook niet. Dat ie me later wél nog weer een paar forse oren aannaaide is een heel ander verhaal. Het is zelfs een heel ander boek…! Een soortement maritiem/ juridisch/politiek docudrama is dat geworden. Ach, ach en wéé! We komen er wél uit in die laatste vergadering. Wij, Joop en ik, een paar keer de gang op. Want ik wil dan wel niet persé bloed zien. Hoewel... Maar dan toch in elk geval wel flink centen. Op een moment hangt het nog op 15.000 gulden verschil. De Koninklijke Marine doet met ernstige ge-zichten de vele koffertjes al dicht. Meneer van Dorp kijkt echt gemeend zorgelijk. Brant kijkt ook somber... Maar niet heus. Die denkt: ‘Oho! Daar komt weer erg leuk werk aan. Joepiedepoepie! Kassa!’ Op de gang begint Joop te schelden…! Tegen mij…? ‘We motten het Potver-hier-en-gunter nú pakken, man!’ Ikke: ‘Mooi niet. Die vijftienduizend erbij, of de bijl gaat er in! Dat is voor de rente, die we verschijten, na bijna weer een heel jaar op de centen te hebben moeten wachten.’ Wij, zo soepel als een oud stokanker, terug naar binnen en de poten stokstijf gehouden. Het komt dik voor mekaar, met al de rente. Brant hoeft niks te doen. Deze keer... Zo: kat in't bakkie, zou je denken? Jaja… Nou, ik spreek u nog. Onze vele USA vrienden hebben daar een mooie uitdrukking voor: ‘It ain’t over until the fat lady sings…!’ We praten gezellig nog wat na op het kantoor in de Zalmstraat en Bram zegt: ‘Nou, meneer de Contractor, je weet het, hè. Jíj maakt de factuur en jíj zorgt maar netjes, dat we vlug onze centen beuren.’ Dat komt dik voor mekaar. Pah! Natuurlijk...! Ik bezeil weer zonder averij Dintelsas en ga er maar eens goed voor zitten. Het uitschrijven van de hoogste ‘Nota voor Bergingsloon’ in mijn bestaan tot dan toe. Een glorieus gevoel mag ik wel zeggen! De nota bevat netjes een opsomming van het totaal overeengekomen hulploon - plús beeteewee - minus het reeds ontvangen voorschot; en de mooie slotzin: ‘…Bij betaling waarvan de Koninklijke Marine der Nederlanden indeze volledig zal zijn gekweten.’ De nota gaat fluks op de post.
Een maand later krijg ik een zure brief van het Ministerie van Defensie. Minister de Ruiter, natuur-lijk bij monde van onze vriend, Mr. F. A. von Heijden, laat enigszins verbolgen weten, dat tijdens de bespreking van 21 september met geen woord is gerept over de BTW, en dat het toen over-eengekomen bedrag het uiterste was waartoe de Koninklijke Marine tot betaling bereid was. Dat zij dus volgaarne over dát bedrag een gelijkluidend schrijven wensen te ontvangen. Echt waar gebeurd; kijk dadelijk zelf maar!
Maar…maar…? BTW is een van buiten komend onheil! Het is een door vreselijk inhalige derden dwingend opgelegd fenomeen. Het is een algemeen bindende verplichting, een hoogst zeld-zame uitzondering daargelaten, automatisch drukkend op alle zakelijke transacties welke bin-nenslands tussen ingezeten leveranciers en eindgebruikers van goederen en/of diensten plaats-vinden. Het behoeft daarom nooit in enige onderhandeling te worden meegenomen, noch be-sproken. Het komt gewoon automatisch, berekend over en opgeteld bij het bereikte resultaat van de transactie; dan dus samen met de hoofdsom het factuur-eindbedrag vormend. De leverancier van het goed en/of de dienst is door diezelfde ongekend schraapzuchtige lieden bij Wet tot on-bezoldigde gaarder van deze BTW aangesteld en hij dient deze sommen baar geld na ontvangst onverwijld in ’s Rijks schatkist te storten. Zo is mij althans, ten koste van meerdere opgelegde naheffingen en fikse boetes, grondig ingeprent!
Maar ja, je raakt natuurlijk toch wel enigszins onder de indruk van zo’n krachtige, BTW afwijzende stellingname van een Minister, dus ik overweeg om het in de groep te gooien. Ik bel met Joop en hij is het roerend met mij eens: ‘Buitenlandse schepen zijn hier vrij van BTW, maar onze Natio-nale Marine kun je toch echt niet buitenlands noemen. En het werk gebeurde op Nederlands grondgebied, uitgevoerd door Nederlandse bedrijven; ergo?’ Maar toch besluit ik ook nog, voor de zozeer gewenste honderd procent zekerheid, om me in het hol van de leeuw, sorry de Belastinggaarder, te begeven… Ik waag het om met de Inspectie der Omzetbelastingen in Breda te bellen! De Belastinggaarder is zo klaar met mijn uiterst provoce-rende vraag: ‘Natuurlijk is de Koninklijke Marine schatplichtig aan ‘Ons’! Nederlandse schepen op Nederlandse reizen betalen gewoon Nederlandse BTW voor in Nederland door Nederlanders geleverde goederen en/of diensten. En Geert, of ze nou wel of niet aan de grond zitten, daar heb ik geen fuck mee te maken!’ Die laatste zin vind ik persoonlijk wel een goeie van hem. Een doordenkertje. Enigszins profe-tisch, en ook nog knap secuur als het ware! ‘En Geert, let op, hoor je! Maak maar gerust een factuur mét BTW. Want anders komen wij die 18 % toch mooi bij jou halen! De Marine zorgt maar mooi voor d'r eigen toko. Dat moeten wij ook!’ Nou, wat doe je dan? BTW d'r op, sodeju! Ikke BTW afdragen die ik nooit gebeurd heb? Dat gaat mooi niet door! Maar helaas... Voor dit alles weer mag escaleren in een nieuwe donderende confrontatie tussen de vrije geest en de Haagse bureaucratie, smoort het reeds zo vreugdig oplaaiende strijdvuur in een andere gebeurtenis. Dat wil zeggen, eigenlijk in twee... De ene is, dat de Koninklijke Marine na langdurige, intensieve en ook bloederige besprekingen op het hoogste niveau met het Ministerie van Financiën toch géén BTW hoeft te betalen indeze. Nou ja zeg! Ik mag een netto factuur maken en die opsturen. En ik hoef dan natuurlijk ook geen BTW af te dragen. ‘…Ja, honderd procent zeker!’ Dit kan dus niet; het is namelijk tegen de Wet. Maar vooruit, oké dan. Aangezien door mij al een factuur mét BTW uitgeschreven is én ont-vangen door Defensie, maak ik nu eenzelfde factuur. Maar nu zet ik er ‘Creditnota’ boven en breng de BTW in mindering, met uiteraard op het onderste regeltje het nog te betalen bedrag. Klaar is Geert, en de factuur gaat weer op de post…
ORKAAN OP HET HARINGVLIET, DEEL-1ORKAAN OP HET HARINGVLIET, Deel-1 Uit “Orkanen & Randverschijnselen”
Voorwoord Het volgende verhaaltje in dit boek is ook waar gebeurd en alle namen van personen, schepen en instellingen zijn echt! Ik had gewoon toevallig helemaal geen zin om ze te veranderen. Som-migen niet omdat hun namen het gewoon dik verdienen om vermeld te worden vanwege hun échte en positieve inzet. Sommigen niet omdat ze het verdienen om een beetje te kijk – zeg maar te kakken – gezet te worden… Degenen dus die ons de Wet voorschrijven en er zelf (ook) niet de weg in weten. Het gaat over het wel en wee van een kleine scheepsberger; over wat je zoal kunt meemaken in het dagelijkse harde bestaan in deze bedrijfstak. Ik bedoel hier nog niet zozeer het eigenlijke werk op de woeste golven enzo, maar meer in het bijzonder wat normaliter daarna nog moet volgen. De pegulantaire afwikkeling dus, en hoe die tegemoet te treden. Of niet…?! Vooral dit stuk - van je centen zien te beuren na gedane arbeid - leidt soms tot mooie en span-nende taferelen. Soms kom je dan wel eens voor erg moeilijke opgaven te staan, die je tijdens de soms ook wel enerverende afwikkeling in onverwachte kringen en op niet alledaagse plaatsen kunnen brengen. Ik denk nu en dan nog met veel plezier terug aan die avonturen.
VOORSPEL 31 januari ‘83 stond er net een zware sneeuwstorm, toen het lege Engelse coastertje ‘Greta-C’ – met maar heel weinig ballast in - de haven van Dintelsas opkwam. Het was pal hoogwater en met dik een meter verhoging. Greta moest de Manderssluis in, maar die stond dubbel rood vanwege het hoge waterpeil. Zij ging dus eerst afmeren op de remming voor de sluis. De wind was wild en dwars af. De bootsman en een matroos kregen samen met veel moeite een voorspring vast, en Greta ging zich langzaam op dat eindje touw tegen de remming aan werken. Maar het stond zo hard te blazen, dat de Captain toch aardig wat Pk’s moest inzetten om zijn schip in beweging te krijgen, tegen de wind in... De spring brak dus en in een vloek en een zucht zat lieve Greta op lagerwal. Boven op de steen-glooiing! Boer (agrariër) van der Vorm had het gezien én de dreun gehoord, en belde op: ‘Volgens mij gaat het niet goed, hoor Geert, daar bij de sluis. Misschien moet je even gaan kijken?’ Na twee korte stootjes op de hoorn kwam opstapper Toon aan boord, en wij samen met Furie-2 naar de Greta toe. Ja, de Captain wilde daar wel graag weer weg, vallend water en zo… ‘P, P…Please, help me very quickly out of here! If that’s possible at all?’ Vastgemaakt achterop Greta en haar in één machtige run van de glooiing gesleurd. Furie-2 ging even knap op d’r kant, maar het hielp wel. Van pure vreugde ging de Britse Captain een tijdje aan de fluit hangen. Toon komt boven, nog een beetje bleek rond zijn neus en zegt: ‘Goh, ik had daarnet mooi onze hele bakboordszij effe kunnen tjetten, maar ik kon de teerpot niet zo gauw vinden…’ Eerst het achterschip bij het eind van de remming gebracht. Dat werd daarop met de dikste tros die aan boord was, goed vastgemaakt. De Furie-2 werd losgegooid, Greta’s voorschip met de boot bijgedrukt en toen werd ze secuur en oerdegelijk vastgeknoopt. Iedereen was erg opge-lucht en tevreden, vooral ook Verzekering van de Greta! Nou, vooruit dan; wij ook, na een tijdje...toen de post kwam.
CLIMAX
1 februari ‘83 was het onheilspellend weer toen we rond de middag de twee mijnenvegers ‘Naarden’ en ‘Ommen’ van de Koninklijke Nederlandse Marine op kanaal-13 van de marifoon bezig hoorden. Ze kwamen van de Noordzee en wilden rap door de Goereese sluis naar binnen schutten, voordat de hel zou losbreken. We zaten juist aan tafel voor een hapje eten toen die jongens met de sluis aan het palaveren waren. Zo maar, als geintje, zeg ik tussen twee happen door tegen Rina: ‘Goh, de Marine komt ook weer binnen. Daar zou ik nou nog wel eens werk aan willen hebben. Dat er zo een eens een keertje goed met de ballen omhoog op een plaat zou komen zitten. Dat zou pas een bak zijn!’ Echt waar! Precies zo is het gegaan! Vraag maar aan Rina!
Nou zat ik natuurlijk nog druk te schrijven aan mijn rapport over de Greta-C van gisteren, dus die uitgesproken wens was wel stout en ook knap inhalig van me. Het stond al vanaf die avond te voren rond 8 van het zuidwesten te waaien, met dikke sneeuwbuien af en toe en flinke uit-schieters in de wind, als die even breed liep tijdens die buien. En er werd zeer zware wester-storm verwacht voor de komende 24 uren. Nou, die voorspelling kwam dik uit. De dag door werd het weer steeds grimmiger en in de avonduren stormde het echt zwaar. Rond middernacht ging de telefoon... Zwaar in slaap het bed uit gestommeld en opnemen dus. Leen Koese van de reddingboot Zeemanspot belde uit Stellendam: ‘Hoi Geert, heb je het mee gekregen?’ ‘Wat meegekregen, Leen? Ik slaap ’s nachts, man! Weet je wel: ogen dicht, snurken en zo.’ ‘Gek! Wie slaapt er nou met zulk weer? Luister Geert! Er zijn dwars van Middelharnis twee mijnenvegers van de Marine in grote moeilijkheden! Ze staan op kanaal-13. Hè? Maak ik een geintje? Ben je belazerd, niks geen geintje, man! Schiet op! Gaan met die boot van je!’ ?…! Gelijk klaar wakker was ik! ‘Oké, bedankt, ik ben zo los!’ Ik leg de telefoon neer en schiet met een been in m’n broek. Weer gerinkel... Nu Jan, van de Volkeraksluizen, aan de lijn. ‘Geert! Je mot als de donder varen, man! Wij hebben VHF verbinding met de Ommen en Naarden, die directe sleepboothulp vragen. Ze zitten allebei aan de grond bij Middelharnis! Schiet op! De halve middenkolk staat al groen en te wachten op je. Opschieten!’ ‘Jaja! Jan, ik kom eraan! Jezusmina!’ Vlug ander been in m’n broek. Ik was er klaar voor. De sluis bemiddelde en liet de twee (2!) schepen weten dat ik zo vlug mogelijk ter plaatse zou komen. Ik nog even rap Theo en Ruud in Den Bommel gebeld: ‘Of ze als de bliksem op de Volkeraksluis bij me op willen stappen?’ ‘Dat komt dik voor mekaar. We benne d’r zo! Joehoe!’ Uzelf nu even realiseren: die jongens, putje nacht, vast slapend in een lekker warm bedje en dan zo puur noodweer in.
Vijf minuten later was ik op weg met Furie-2, een woest geworden Volkerak op. Voor de wind naar de sluis toe en natuurlijk vol-aan proberen - ik had bloedhaast - lag ik twee keer bijna dwars. Door te hoge snelheid met achter inkomende golven was het sturen erg onzeker. Dan blijven er namelijk grote meelopende golven te lang onder de kont plakken. Met als gevolg, dat je roer zo-wat in stil water komt te hangen, dat dus zowat dezelfde gang heeft als je bootje, dat water. Dan is er ineens veel minder roerdruk, zodat je staat te sturen of je net een fles jenever achter de kiezen hebt. Glad niet waar natuurlijk, midden in de nacht en bij windkracht 10! Het was roetdonker met flinke sneeuwjacht en er voer voor de rest helemaal geen schip meer. Dus gelukkig had niemand die vreemde capriolen van me gezien. Toch maar een beetje toeren minderen. Dat ging ietsje beter.
In de sluis Theo en Ruud van de muur opgepikt. Achter de trap in de sluismuur, waar de maten net af kwamen klimmen, klikte de luidspreker van de sluisintercom. Jan aan de lijn: ‘Hé, gekke sodemieters! Gaan jullie wel een beetje uitkijken? De windmeter tikt hier af en toe wel tegen de 11 aan, hoor! Onder de 10 komt ie niet meer, zie je. Het is maar dat je het weet!’ ‘Ja Jan. We zullen braaf zijn. Dankjewel Jan.’ En wij verder. Uit de voorhaven weg en op het brede Hollandsdiep komend, voelden we het al. De wind was langzaam westelijker aan het lopen. Er begon al flink zee te staan op het stukje tussen de voorhaven en de Haringvlietbrug. We buisden af en toe helemaal onder, met van die grote witte explosies van ijskoud stuifwater tegen de pikzwarte lucht. Een machtig gezicht, voor wie het zien wil.
Onder de brug door, dwars van de Hitzert, kwam de RWS-17 van de Verkeersdienst uit Dor-drecht ons achterop, ook die kant op. Normaal vliegen die gasten met die snelle patrouilleboten ons voorbij of wij er net een stuk of twee ankers onder gegooid hebben, en dan staan we toch echt vol-aan. Maar nu niet. Ze kwamen helemaal zonder haast op een sukkeldrafje achter ons aan hobbelen. Het was natuurlijk gewoon ook helemaal geen haastweer meer… Intussen maakten we uiteraard via de VHF een praatje met de Kon. Marine. Waar en hoe pre-cies, en hoe het nu ging en zo. De Ommen en Naarden zaten op de bank, achter de rode tonnen, tegenover hun steiger. Het zg. Natosteiger aan de Flakkeese wal, een paar kilometer boven Middelharnis. En gaan deed het ook niet lekker, vonden ze. Ze hadden het stellige idee, dat ze steeds verder weg gezet werden, van de tonnen vandaan. Ja, dat kon best natuurlijk. Die schepen zijn 45 meter lang en wel hoog voor een schip van 80 meter. Daarbij zijn ze ook nog eens erg licht gebouwd. Van hout…! Het kraakte af en toe flink onder in hun schip, vertelden ze allebei…
Het was nu geen soort van een weer meer. Het floot en gilde de hele tijd. Die grote dikke Deutz van Furie-2 natuurlijk vol-aan, stijf tegen de veiligheidspin. Nou ja, veiligheidspin…? En maar bonken, met van die grote rotklappen recht tegen die steile golven van het Vuile Gat in. Bijna het Vuile Gat uit, kregen we allebei de schepen op de radar. Een vier of vijfhonderd meter uit elkaar en een best end de plaat op zaten ze. Oeioei! Weer even verder zagen we af en toe, tussen de wolken buiswater en sneeuw door, ook hun mooi gekleurde ‘Onklaar-En-Aan-De-Grond’ schreiende lichten in de masten. Ik vond het een machtig ontroerend gezicht. Ik bedoel maar... Je gelooft toch zeker je ogen niet, de eerste keer dat je zoiets ziet! Ruud en Theo bezwoeren me later, dat ze in het Vuile Gat wel een beetje ongerust over me werden. Ze beweren nog steeds tegen iedereen die het maar horen wil, dat ik de hele tijd achter het roer stond te dansen als een kangaroe, en maar roepen: ‘Nou hebben we wat! Nou hebben we wat! Enz.’ Pfff...Ik weet van niks... Een stelletje fantasten, dat zijn het, die twee! De RWS-17 haalde veilig Middelharnis en verdween toen maar fluks in de haven. Meneer Schou-wenaar riep over de VHF naar hun kantoor: ‘Dit slaat wel alles tot nu toe wat ongemak betreft!’ Ze hadden die boot nog niet zo lang; het was zo’n modern vedergewicht geval, en die was ook een knap beetje ‘springerig’ met zulk weer. Net als ik, volgens zeggen dus…
We spraken eerst af met de Naarden om vast te maken. Die zat westelijk van de Ommen en wij dachten dat de Naarden er het slechtst bij zat. Op de VHF gaf ik dus door, dat wij een Speedline zouden overschieten, voor de wind naar hun toe. Ik durfde namelijk niet zo goed de bank op. Ik was een beetje benauwd om zelf ook te raken. Normaal geef je daar niet zo veel om, maar nu stond het zo ongegeneerd hard te tochten, dat het manoeuvreren er niet makkelijker op werd. De boot reageerde nu natuurlijk veel trager op het roer. Met een direct omkeerbare motor als van Furie-2 heb je nou eenmaal toch net effe ‘n tikkie meer tijd nodig van voor- op achteruit en dan weer opnieuw starten en zo, dan met een motor met keerkoppeling. En om dan door een flinke golf met die zware boot op zo’n houten schip gezet te worden. Dat zou echt niet best zijn... ‘Krak, Krak...!’
De Speedline viel mooi en all-hands aan de andere kant haalden de tros over. We hebben nog nooit zo vlug vast gestaan; de tros vloog zomaar weg bij ons vandaan! Geen kunst nauurlijk met 36 wakkere, maar ook wel lichtelijk bezorgde Marinemannen daar aan boord.
Wij dus aan het sjorren aan die eerste mijnenveger. We kregen de kop in de wind en konden haar, heen en weer zwenkend met Furie-2, op het echolood telkens tot aan de rand van de bank varend, een flinke slag bakboord en stuurboord laten maken. Maar vlotkomen was nog wat anders. We stonden op een lange tros vast, kon niet anders. Dus zand weg spoelen onder het schip was er niet bij, deze reis. We moesten het maar gewoon vlot schuren. Heen en weer, enz, enz. Het weer werd almaar gekker. De slag naar bakboord was er niks aan de hand. We hadden dan wind en golven mee. Bij de slag naar stuurboord, de boot natuurlijk bij elke slag toch al flink scheef, kregen we dik water aan dek, met de machinekamerdeur ook aan stuurboord... Theo werd dus bevorderd tot 'Machinekamerdeurportier': dicht over stuurboord, open over bakboord. Met de deur dicht zakte de Deutz 8 toeren, iets te weinig lucht. Dat konden we nu net niet hebben. Alle Pk's móesten voor de dag komen vannacht. De luiken op de lichtkap, die normaal open staan voor voldoende lucht, waren nu dicht natuurlijk vanwege al dat overkomende water. Daar stond Theo dus op het dek, bij elke haal over stuurboord tot dik over zijn knieën in het water. Gewoon doorgaan, jongens...
We gingen heel langzaam vooruit. We wonnen ongeveer 30 meter in drie uur. De Ommen had het intussen helemaal niet naar de zin. Zij had nog niks geen hulp en sukkelde van lieverlee verder het droge op. Die begon dus na een tijdje te piepen: ‘Of ik niet méér sleepkracht kon bij vragen?’ Ik denk: beter maar doen, nu. Als ze zelf weer op de VHF in de rondte gaan blèren, breekt het me helemaal bij de handjes af. Die schepen moesten daar persé weg. Er stond namelijk intussen een stormtij water op het Haringvliet. Als de wind zou gaan minderen, moest er acuut gespuid gaan worden; vallend water dus. Dan zou er helemáál geen trekken meer aan zijn. Dus ik maar eens gebeld met Smit-Vos Sleepdienst in Rotterdam. Een volle Smit-dochter. Nou, die hadden er wel oren naar, en hun sleepboten ‘Noordpool’ en ‘Spitsbergen’ gingen gelijk op pad. De Oude Maas, het Spui, Korendijkse Geul en Beningen moesten ze nog even doen. Intussen wij natuurlijk gewoon verder scheuren aan de Naarden. We hadden haar vlot gekregen, zeker weten. Maar het ging ho zo langzaam. Geduldwerk, dat was het!
Tegen de morgen hadden we eventjes orkaankracht. Over de 12 Bf. De hoogst geregistreerde windsnelheid die nacht was 143 Km/uur bij Hoek van Holland, niet echt ver weg van ons...erg dichtbij eigenlijk. Het water vloog nu af en toe letterlijk boven de mast uit. Op het wat lagere achtereind van de Naarden klapten toch af en toe aardig massieve stukjes water aan dek. Over ons eigen achtereind hebben we het nog… De Noordpool en Spitsbergen kwamen aan en er werd van de Naarden vandaan een lijntje naar hen overgeschoten. De maten stonden ook zo vast. Toen werden we even bloedserieus. Met ons drieën samen 1700 Pk, gaf de Naarden het al vlug op en was weer vlot. Die ging het even gaande houden op diep water, tot we d’r maatje ook los hadden. Intussen was het licht genoeg geworden voor de RWS-17 om wat foto’s te maken. Die zijn altijd leuk, voor later...
Op een gegeven moment komt Ruud bij me boven in de stuurhut. We waren net aan de Ommen begonnen en ik was stikdruk vanzelf. Met dat in span tornen met drie sleepboten tegelijk op dezelfde klant en onder orkaanomstandigheden moet je eigenlijk ook drie paar ogen hebben. Ruud zegt: ‘Hé Geert! Ik wil niet aan je kop zeuren, hoor, echt niet. Maar heb je de laatste tijd nog wel es naar ons achtereind gekeken? Volgens mij zakken we daar, hoor!’ Terwijl Ruud het roer even overneemt, werp ik vlug een blik buiten op het achterdek. Barst! We liggen achterop al precies met het berghout onder in het water. Het dek staat daar nu gewoon de hele tijd blank. Effe binnen kijken… Miljaar! Het water staat al boven de vloer in het achteronder. Die verrekte pakkingbus weer. Met gepaste spoed vlieg ik naar de machinekamer en start de lenspomp. Tsss! Je zou al werkende weg aan de strakke tros afborrelen!
Tja, het was toen gewoon een feit. Furie-2 was der dagen zat. De Deutz draaide nog als nieuw. De pompen en alle andere apparatuur werkten nog prima. Maar het casco was op, samen met de hennekoker, het roer plus de koning, én de schroefas. Die schroefas had zoveel speling in de buitenbus, dat de pakkingbus veel teveel op z’n lazer kreeg van die als een kikker op en neer dansende schroefas, die steeds de pakkingen verrot sloeg. Nou, en dan vergeet je wel es wat, hè, in het heetst van de strijd. Wat pompen zo nu en dan, of zo… Maar niet getreurd! Op de tekentafel groeide intussen al de nieuwe Furie-3. De moeder van alle bergingssleepboten werd dat! En ondertussen tot die klaar was, natuurlijk met de oude trouwe boot boven zien te blijven. Toch maar een beetje pompen af en toe. Als het tenminste niet teveel gevraagd is… Grote zot!
De mijnenvegers konden intussen niet veel meer draaien zelf, want hun hele koelsysteem zat vol zand, door de koelwaterpompen van de zandbank opgeslobberd. Toen, weer met z’n drieën dus, de Ommen vast gepakt. Die stribbelde eerst ook nog flink tegen, maar kwam toch vrij snel vlot. De Ommen op de palen gebracht, de Naarden er opzij geplakt en eerst maar eens even een blaasje pikken bij die mannen daar. Intussen kwam er al een flinke Marine-duikerploeg om onder water de schepen op schade te inspecteren. Het duurde ook niet lang of de walkapitein van Smit-Vos stond aan dek. Die was al met de auto uit Rotterdam vandaan komen scheuren toen ze daar op kantoor gehoord hadden dat de schepen vlot waren. Wij dus samen naar de Gezagvoerders van die twee ‘sweepers’. Maar daar was die geniepigaard van een walkapitein van Smit, toen hij net aankwam, al eerder geweest, zwaaiend met twee waardeloze ‘Tornbriefjes’ ter ondertekening. Maar die commandoboys hadden liever nog even op mij gewacht. Dát was nou eens echt goed en slim van hen. Die jongens weten tenminste hoe het hoort! Alsnog hulde! Ik had natuurlijk niks op die briefjes tegen. Maar ik had ‘s nachts de Smit-boten op urenbasis besteld. Gewoon: zoveel uren uit en thuis, twee boten, zoveel Pk’s. Rekening maken en klaar. Daar wou die linkmiegel nu onderuit. Die dacht al langer wakker te zijn dan ik. Ha! Mooi niet... Afijn, een hartig potje ouwehoeren, wat met het Smit-kantoor heen en weer bellen. Wij weer samen terug naar de Kapiteinshut; zaken doen. De nieuwe koers uitzetten, als het ware...
De Gezagvoerders waren het roerend met mij eens, dat ik door hén was besteld en Smit láter door mij. Dan heb je dus de stemming al gauw een beetje door en ik zeg uiteindelijk tegen de twee Gezagvoerders: ‘Oké, tekent u die tornbriefjes maar gerust, alstublieft.’ Dat gebeurde. Die walkapitein graaide gelijk met een tevreden grijns die vodjes van de tafel. Of het de geheime en enige kaarten van het grootste diamantveld van de wereld waren! De arme ziel! Toen ze getekend waren, haalde ik twee blanco contracten op basis Lloyds Open Form – ‘No Cure-No Pay’ - voor de dag…en nodigde de Gezagvoerders van de Koninklijke Marine uit om ook die maar te ondertekenen. Daar begon die walkapitein van Smit-Vos gelijk weer over te sputteren en te blazen: ‘Waar is dat nou nog goed voor? We hebben toch deze al!’ En hij wappert alweer met z’n ziekelijke briefjes! Ik zeg: ‘Dat zoeken we later allemaal haarfijn uit. Het kan echt geen kwaad.’ De Koninklijke Marine was het grondig met mij eens en tekende braaf de twee L.O.F’s. We kregen nog een borrel toe bij de mannen, op de nuchtere maag. Zeg maar gerust, een beste borrel! De mijnenboys lagen er goed bij en wij konden weer naar huis. Een beste trek wijzer. Toch...? De wind was weer wat geruimd. Als je maar lang genoeg bleef kijken zou je zeggen dat het iets minder werd?
Een machtig gezicht was het trouwens op het Haringvliet. De zon was intussen al flink op en scheen af en toe tussen de grote zwarte stormwolken door, met van die mooie schuine banen fel licht over het opgezweepte donkere water. Er stond nog altijd een krachtje of tien, en het schuim van die brekende krullers met grijsgroen water was dan toch zo schitterend wit! En wij daar met Furie-2 midden tussen deinend, voor de wind uit en richting Willemstad. Prachtig mooi was het. Echt schitterend! In de sluis gingen Ruud en Theo weer de wal aan en moe, steenkoud en kleddernat, maar ho zo tevreden terug naar kooi. Thuisgekomen in Dintelsas, na nog een bar ruig stukje over het Vol-kerak, eerst met een leuk verhaal vanzelf en toen natuurlijk ook even de kooi ingedoken. Daarna eerst maar eens een kloek rapport van het avontuur gemaakt. Uiteraard een windrapport van het KNMI aangevraagd, plus de waterstanden van de RWS idem, enz. Van de RWS-17 kreeg ik een paar dagen later knappe, ter zake doende foto's. Ook nooit weg, foto's... Toen weer eens gebeld met Wout(†): van Van Den Akker in Vlissingen dus. Ook al een volle Smit-dochter. Wout was soms m’n raadsman, en ook nog eens een hele beste. Het verhaal in geuren en kleuren aan hem verteld en Wout vond het een pracht. Vooral het gedeelte van de tornbriefjes. Hij kwam zowat niet meer bij van het lachen. Wout: ‘Als je maar weet, dat ik met je meega, naar de Zalmstraat. Daar wil ik bij zijn! Weet je wat, nog beter: ik pik jou thuis op, dan gaan we gezellig samen. En dan kan ik jou tenminste ook in de gaten houden!’ Een paar dagen later een afspraak gemaakt met het super-de-luxe hoofdkantoor van Smit in de Zalmstraat in Rotterdam. Wout pikt me op en wij naar Rotterdam. Kennis maken met Bram, Joop, Bill, enz, enz, en het hele verhaal gedaan. Toen iedereen eindelijk uitgelachen was over de ge-tekende tornbriefjes werden die ter plekke verscheurd en verdwenen waar ze thuishoorden. In de prullenmand. L.O.F, No Cure - No Pay briefjes, ondertekend door de Koninklijke Marine zijn namelijk beter. Waardevoller zou je kunnen zeggen. Meer een soort ‘Koninklijke Waarde-papieren’ zijn het. Nou, zo bleven we nog een hele tijd zitten ouwehoeren. Die Smit-gasten kwamen telkens weer met allerlei detailvraagjes waar dan weer driftig notities over werden gemaakt, enz, enz. Opeens zegt Wout tegen Bram: ‘Hé Bram! Wat ben jij eigenlijk voor een gierige krent van een gastheer? Ik zou onderhand wel eens wat te vreten willen hebben! Weet jij hoe vroeg ik vanmorgen van Vlissingen ben gereden, hier naar die bouwval toe? Oh, nou dan!’ Bij zeer luidruchtige acclamatie werd besloten om de vergadering te verplaatsen naar Mary-Dear, een eethuisje een paar straten van het Smit-kantoor vandaan. De pot schafte ‘Captains Diner’: kapucijners met spekjes, plus een paar koteletjes de man, om het wat op te fleuren. En wat geestrijke versnaperingen er tussendoor natuurlijk. Het werd al bij al een erg gezellige dag. Toen de avond al dik gevallen was, waren we het op de hoofdlijnen roerend eens, tot tranen toe bewogen af en toe, met een fors promillage doordrenkt. Wout niet. Nee-nee…! Wout was de Bob. We kwamen zonder mankeren overeen dat ik de hoofdaannemer was en bleef, maare…kon het niet op fiftyfifty basis geregeld worden? Nou hadden zij met die twee boten van hen natuurlijk wel 3 keer zoveel Pk’s ingebracht als ik met alleen Furie-2. Dus ik vond het al lang best. En we zouden samen tegen de Marine in touw gaan om de boel rond te breien wat betreft het hulploon. Breien...jaja.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|