Geert Theunisse's profileGeert Theunisse MaritiemPhotosBlogListsMore ![]() | Help |
|
October 14 Haagse spelletjes 2Uit “No cure-no pay contra de Staat der Nederlanden”
Ministerie van Justitie Aan de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Uw brief: 3 maart 1982. Ons kenmerk: Nr. 350/382. Onderwerp: Staat/Theunisse (Mi-Amigo). Datum 31 maart 1982 Naar aanleiding van uw verzoek nadere inlichtingen te ontvangen omtrent de in het schrijven van Het Vrije Volk van 1 maart 1982 aan de orde gestelde aangelegenheid bericht ik u het volgende. De berging van het M.S. Magdalena (het illegale zendschip Mi-Amigo), dat enkele dagen voor 23 september 1979 nabij Goeree was gestrand, heeft aanleiding gegeven tot een geschil tussen G. Theunisse te Dintelsas en de Staat over het aan Theunisse verschuldigde hulploon. Nadat gebleken was dat geen overeenstemming kon worden bereikt over het aan Theunisse te betalen hulploon, is overeengekomen in deze zaak een bindend advies te vragen. De opdracht daartoe is neergelegd in een gezamenlijke brief dd. 17 september 1980 van de landsadvocaat en Mr. Fleskens, de raadsman van Theunisse, aan Mr. H. Schadee te Rotterdam, waarin zij hem hebben verzocht “te bepalen op welk bergloon Theunisse gezien zijn werkzaamheden in verband met de berging van de Magdalena aanspraak kan maken, alsmede welke kosten wegens rechtskundige bijstand, daaronder begrepen die gemaakt zijn in de periode voorafgaand aan het bindend advies, in redelijkheid aan Theunisse vergoed dienen te worden.” Bij een als voorlopig aangeduid bindend advies, gedateerd 27 mei 1981, heeft Mr. Schadee de Staat geadviseerd aan Theunisse een hulploon uit te keren van f 50.000-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 9 oktober 1979 af Het aldus vastgestelde bedrag is aan Theunisse betaald. Nadat Theunisse overeenkomstig het verzoek van Mr. Schadee gegevens had verschaft met betrekking tot de overige punten waaromtrent het advies van Mr. Schadee was ingeroepen, heeft op 23 december 1981 een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft Mr. Schadee onderzocht of een mogelijkheid bestond door een schikking een einde te maken aan de nog tussen partijen bestaande geschilpunten, welke inmiddels niet meer alleen betreffen de kosten van juridische bijstand, maar ook een - niet onder de opdracht aan Mr. Schadee begrepen - door Theunisse gepretendeerde vordering tot vergoeding van beweerdelijk door hem persoonlijk geleden schade. Uit deze schikkingpoging is het voorstel voortgevloeid dat is neergelegd in de brief van de landsadvocaat van 28 december 1981, waarin namens mij het aanbod is gedaan “f 40.000- te betalen voor de proceskosten en de schade die de heer Theunisse zou hebben geleden, tegen finale kwijting van alles waar de heer Theunisse aanspraak op maakt, en onder voorwaarde dat hij ook afziet van acties via de pers of Kamerleden.” Indien door de formulering van dit aanbod de indruk is gewekt dat beoogd zou zijn de pers of de Kamer te beperken in de hun toekomende vrijheden en bevoegdheden of Theunisse het recht te ontzeggen zich omtrent aangelegenheden waarover hij zich gegriefd voelt, tot de pers of tot Kamerleden te wenden, betreur ik dit. Met de voorwaarde is niet meer bedoeld dan een explicitering van het begrip finale kwijting, ten einde duidelijk tot uitdrukking te brengen dat door aanvaarding van het aanbod de zaak afgesloten zou zijn. Tenslotte moge ik vermelden dat Theunisse het voorstel niet heeft aanvaard, zodat het thans aan Mr. Schadee is om in overeenstemming met zijn opdracht bindend advies uit te brengen over de kosten van rechtskundige bijstand. De Minister van Justitie, J. de Ruiter
2 jun. 1982 voer ik een merkwaardig telefoongesprek met een mevrouw. Zij geeft op woonachtig te zijn op een (bestaand) adres op de B.Z, (villawijk) te B. Het gesprek hapert herhaaldelijk, valt weg, waarna ik weer door haar wordt gebeld met de mededeling dat er een kabelstoring in B. is bij de PTT. Dit zou de volgende dag worden gerepareerd. De haperingen blijven terugkomen maar de verbinding blijft nu in stand. Het gesprek gaat erover: “…dat zij mijn geschil met de Staat helemaal gevolgd heeft; het toch zo erg vindt; er graag iets aan zou willen helpen; nu toevallig een depositoo’tje vrij krijgt van exact f 40.000-; of ik dat van haar aan zou willen nemen; als schenking ja. Nu, als U daar niet over denkt als renteloze lening dan. U ziet maar, het staat tot Uw beschikking; denkt U er maar eens rustig over na.” Ik weiger vriendelijk doch beslist omdat ik het geld van goedwillende derden niet op het spel wil zetten. Ik ontvang toch een telefoonnummer in B. Ik denk er het mijne van... Neenee, niet wat u nu denkt… Schandelijk!
De volgende dag deelt de PTT te Amsterdam mij desgevraagd mede dat van een kabelstoring te B. of van een telefoonstoring op de B.Z. of over klachten over de telefoon van het pand met het door mij opgegeven huisnummer niets bekend is, de dag tevoren... Ik schrijf een brief aan het adres te B. met nogmaals mijn dank voor het mooie aanbod, dat ik niet mag aannemen, maar stel de vraag of zij voor een aanmerkelijk hoger bedrag niet in mijn bedrijf wil deelnemen met een lening... Nooit meer iets van (haar, althans) vernomen. Ik meld het voorval natuurlijk ook aan het Bureau van de Nat. Ombudsman… Ook nooit meer iets van vernomen. |
|
|