Geert Theunisse's profileGeert Theunisse MaritiemPhotosBlogListsMore ![]() | Help |
|
August 28 Mi-Amigo affaire. Uitspraak 2e WOB appél.Rechtbank 's‑Gravenhage sector bestuursrecht tweede afdeling, enkelvoudige kamer; Reg. nr. AWB 06/2214 WOB
UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
G.A.C. Theunisse, wonende te Roosendaal, eiser, en de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 7 maart 2005 heeft eiser bij verweerder, met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), een verzoek ingediend om openbaarmaking van: 1. de brief met bijlagen van de heer W. van de Camp, CDA‑fractie der Tweede Kamer, gericht aan de Staatssecretaris van Financiën, drs. J. Wijn, handelende over eiser, verzonden voor of omstreeks 11 maart 2004; 2. het antwoord van de Staatssecretaris aan W. van de Camp op voornoemde brief, verzonden omstreeks of voor 31 oktober 2004; 3. de brief van de Staatssecretaris zoals gezonden aan de DirecteurGeneraal Belastingdienst en waarvan sprake is in de brief onder 2; en 4. de volledige brief‑ c.q. memowisseling tussen het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Justitie, die blijkens de door eiser in zijn verzoek weergegeven e‑mail's heeft plaatsgevonden.
Bij besluit van 15 april 2005 heeft verweerder het verzoek met betrekking tot de onderdelen 1 en 3 afgewezen omdat deze brieven niet zijn aangetroffen op het Ministerie van Financiën. De brief als bedoeld onder 2 (gedateerd 4 oktober 2004) van de Staatssecretaris van Financiën heeft verweerder verstrekt. Het verzoek met betrekking tot onderdeel 4 is afgewezen op grond van artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wob.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 april 2005 bij verweerder bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 6 juli 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit eiser bij brief van 14 juli 2005 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft verweerder met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb als zijn standpunt te kennen gegeven dat de kennisneming van bepaalde gedeelten van deze stukken tot de rechtbank beperkt dient te blijven. De rechtbank heeft beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eisers hebben daarop de rechtbank toestemming verleend om mede op grondslag van de geheimgehouden gedeelten van de overgelegde stukken uitspraak te doen.
Bij uitspraak van 7 februari 2006 (AWB 05/4926 WOB) heeft deze rechtbank (wegens een mandaatgebrek) het beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juli 2006 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Bij besluit van 7 maart 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 maart 2006 beroep ingesteld. Het beroep is op 15 augustus 2006 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Rutten.
Motivering
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
Ingevolge artikel 11, tweede lid, eerste volzin, van de Wob kan met het oog op een goede en democratische bestuurs-voering over persoonlijke beleidsopvattingen informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wob wordt onder intern beraad verstaan: het beraad over een bestuur-lijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid.
Verweerder heeft aan zijn weigering tot verstrekking van de documenten als bedoeld onder 1 en 3 ten grondslag gelegd dat deze documenten door hem niet zijn aangetroffen. Aan zijn weigering tot verstrekking van de documenten als bedoeld onder 4, heeft verweerder artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wob ten grondslag gelegd. Naar de mening van verweerder zijn de teksten aan te merken als documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad. Verweerder heeft voorts geen aanleiding gezien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid, neergelegd in artikel 11, tweede lid, van de Wob, de documenten geano-nimiseerd openbaar te maken. Daarbij wijst verweerder erop dat de onderhavige Kamervragen en antwoorden reeds openbaar zijn gemaakt en er zodoende aan de informatieverstrekking met het oog op de goede en democratische bestuursvoering is voldaan.
Eiser stelt zich blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, samengevat en zakelijk weergegeven, op het standpunt dat de documenten informatie bevatten die voor eiser van belang kan zijn met het oog op een mogelijke toekomstige schadevergoedingsactie van eiser jegens de Staat der Nederlanden. Alle gevraagde en nog ont-brekende stukken dienen hem op grond van de Wob en de Algemene wet Rijksbelastingen (Awr) ter inzage gegeven te worden. Eiser stelt dat de documenten als bedoeld onder 1 en 3 naar zijn mening wel aanwezig zijn. Niet ontkend kan immers worden dat deze correspondentie heeft plaatsgevonden. Eiser wijst er verder op dat hij (mede) om geanonimiseerde openbaarmaking van de documenten heeft verzocht. Eiser verzoekt tenslotte om vergoeding van de ontstane schade.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het document als bedoeld onder 2 door verweerder aan eiser is verstrekt op grond van de Awr. Eiser heeft ter zitting desgevraagd zijn beroep voor zover dat ziet op het document als bedoeld onder 2 ingetrokken. De rechtbank stelt daarmee vast dat het beroep van eiser zich beperkt tot het niet‑verstrekken van de documenten als bedoeld onder 1, 3, en 4.
De rechtbank overweegt verder dat het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient, welk belang de Wob vooronderstelt. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of het oogmerk van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het alge-mene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de (relatieve) weigering-gronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. De specifieke belangen zoals door eiser naar voren gebracht zijn derhalve niet relevant. Van belang is slechts of het belang tot openbaarmaking van de documenten opweegt tegen het belang dat verweerder poogt te beschermen.
Verweerder heeft aangegeven dat hij zich heeft ingespannen de brieven, dan wel memo's, als bedoeld onder 1 en 3 te achterhalen. Zij zijn echter niet gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de mededeling van verweerder te twijfelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de documenten niet aanwezig zijn. Het verzoek tot openbaar making is dan ook terecht geweigerd. Van verweerder hoeft niet verlangd te worden dat hij documenten op grond van een Wob‑verzoek openbaar maakt die hem niet ter beschikking staan.
Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de volledige tekst van de desbetreffende passages, stelt de rechtbank vast dat de documenten als bedoeld onder 4 documenten betreffen opgesteld ten behoeve van intern beraad, welke persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. De in de documenten weergegeven feiten zijn bovendien dermate verweven met de persoonlijke beleidsopvattingen dat verweerder zich terecht op het (impliciete) standpunt heeft gesteld dat artikel 11, eerste lid, van de Wob zich tegen de openbaar-making van de gehele inhoud van de documenten verzet.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de inhoud van de documenten verstrekt moet worden in niet tot personen herleidbare vorm.
Blijkens de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wob is de weigeringgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob gelegen in het belang om in vertrouwelijke sfeer te kunnen "brain‑stormen" zonder vrees voor gezichtsverlies. De vrije meningsvorming zou worden belemmerd indien de deelnemers aan het beraad weten dat na afloop daarvan de geuite opvattingen zonder overleg met hen openbaar zouden kunnen worden gemaakt, (TIC 1986‑1987, 19859, nr. 3, blz. 14 en 15). Betrokken ambtenaren moeten in alle openhartigheid onderling functioneel kunnen communiceren, en ook openhartig met 'hun' bewindspersonen. Dit alles leidt er toe dat persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren, in beginsel niet openbaar gemaakt dienen te worden. Anderzijds echter kan het uit een oogpunt van goede en democratische bestuursvoering van belang zijn voor het publiek kennis te kunnen krijgen van de achtergronden van een bepaalde bestuursbeslissing, de eventueel overwogen beleidsalternatieven die in de voorbereiding van de beslissing een rol hebben gespeeld en de daarvoor aangedragen argumenten. In zulke gevallen is niet zozeer van belang dat het publiek verneemt wie welke beleidsalternatieven heeft aangedragen of aangehangen. Anders ontstaan de risico's voor ambtenaren en bestuurders die hierboven uiteengezet zijn. Veeleer is in zulke gevallen uit een oogpunt van goede en democratische bestuursvoering van betekenis dat het publiek kennis kan verkrijgen omtrent de inhoud van de eventueel overwogen beleidsalternatieven en de inhoud van de argumenten die daarbij een rol hebben gespeeld, (TIC 1986‑1987, 19859, nr. 6, blz. 13 en 14).
De rechtbank stelt vast dat verweerder ten aanzien van de openbaarmaking als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wob een discretionaire bevoegdheid toekomt. De rechtbank dient de wijze waarop verweerder gebruik gemaakt heeft van deze bevoegdheid dan ook terughoudend te toetsen. Bij die toetsing dient de rechtbank te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.
De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat openbaarmaking in niet tot personen herleidbare vorm van de persoonlijke beleidsopvattingen (en de daarmee verweven feiten) niet in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.
Gelet op de aard en inhoud van de documenten (zijnde de ambtelijke voorbereiding van Kamervragen over de positie van eiser) bezien in het licht van de voormelde vrije en openhartige meningsvorming van ambtenaren, heeft verweer-der zich op goede gronden op dit standpunt kunnen stellen. Openbaarmaking krachtens de Wob van mogelijk ten aanzien van de beantwoording van de Kamervragen meegewogen alternatieve argumenten en feiten levert geen bijdrage aan een goede bestuursvoering. Daarmee kan niet worden geoordeeld dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van de in het tweede lid van artikel 11 neergelegde bevoegdheid gebruik te maken.
Het beroep van eiser faalt.
In het kader van dit beroep kan een verzoek tot vergoeding van de door eiser beweerdelijk geleden schade slechts zien op schade die zijn directe oorzaak heeft in de weigering door verweerder de documenten als bedoeld onder 1,2 en 4 te verstrekken. Nog afgezien van het feit dat eiser deze schade niet nader heeft gespecificeerd, kan voor het toekennen van een schadevergoeding slechts aanleiding bestaan indien het beroep gegrond wordt verklaard (artikel 8:73, eerste lid, van de Awb). Daarvan is, blijkens het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Rechtbank's‑Gravenhage, RECHT DOENDE: verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Aldus gegeven door mr. C.W. de Wit en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2006, in tegenwoordigheid van de mr. W. Goederee.
Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Rechtbank's‑Gravenhage,
Verzonden op: 2 3 AUG.
=============================
COMMENTAAR Theunisse: 1) Deze uitspraak is in hoge mate onevenwichtig ten aanzien van de Rechts-bedeling. 2) Deze uitspraak schiet ernstig tekort in de Rechts-toepassing. 3) Deze uitspraak is in hoge mate partijdig.
In beroep dus bij de Raad van State. Stay tuned...
August 23 Dutch PiracyPOLITICS & PIRACY
Part 1) Piracy at the Strait of Malacca
Nov. 3-2004, it happened that the Smit-Wijs tugboat “LONDON” came under gunfire from pirates, chasing the ship with fast small boats, when she was navigating the Strait of Malacca. A nearby Indonesian Navy or Police patrol vessel seemed to collaborate with the pirates or at least, took no noticeable action to stop the rifle attack on the tug. After several rounds had hit the tug, fortunately, the attack ended and the pirates vanished. Evil deeds altogether of course.
Two members of the (right-wing, so-called Liberal) VVD fraction from the Dutch Second House of Parliament at The Hague, Mme. Dezentjé Hamming-Bluemink en Mister Van Baalen, got very upset by this act of piracy and conducted a series of ten stiff questions about this event to the Dutch Minister of Foreign Affairs, His Excellence Mister Bot. Question number five struck the most of my attention, (of course! See Part (2)). Question 5): “Are there indications known to the Dutch Government that Indonesian or Malayan Navy or Police personal could possibly be involved in relations of corruption with Pirates? If so, what kind of countermeasures are been taken?”
Well, I could not help it. Sad and wrongful as these acts of piracy are, I simply had to react on this particular story, especially because those Members of the Dutch Parliament were so eager to score some measly points with their slowly but steadily decreasing number of voters, this time with a serious but ‘far-from-home-event’, while for many years they ignored another ‘act of Piracy’ that happened right under there silly noses and still doing nothing about it.
Part 2) Piracy at the Strait of the Netherlands
To: Mme. Dezentjé Hamming-Bluemink and Mr. J. van Baalen; Members of the VVD-fraction, Second House of Parliament December 4, 2004; Most distinguished Members of Parliament, I just read in the newspaper “Rotterdams Dagblad” that you are very concerned about the (sea) piracy in the Strait of Malacca. A very understandable concern of course, but to me it seems a kind of ‘selective’ concernedness. Is your concernedness really inspired by the fact that a ship – the Smit-Wijs tug “London”- from our national pride, the Salvage Company Smit-International, got under attack, or is it probably just a safe and non-obligating window-dressing reaction because it happened so far away? To me, it tastes also a trifle bitter, this concernedness of yours. How come, you asked? Well, just read on! Many years ago, (September 1979) Being a small - just started - salvage firm, I was busy with a job on ‘The Strait of Netherlands’ also known as the North Sea. The job involved the salvage of a grounded and damaged seagoing vessel and the -in a great hurry- given salvage order came from the Dutch Government, to be exact from the Department of Justice, (of all places!). Before I got involved, the salvage order from the Government originally was –naturally(!)- been given to the worldwide known salvage giant Smit-International, but after a half-cocked trial they had quit on the job. “The ship cannot be salvaged,” they reported. Uhh…? Yeah, right! Well, my salvage job on the very same vessel the other day went on smoothly and after thirty-six hours of hard labor, we had the vessel safely moored at the inland Port of Willemstad. Then what happened? Believe it or not, while we (the salvers) tried to catch-up some well-earned sleep, the whole ship was stolen. Really, no shit! In a completely safe inner-harbor, far inland from The Netherlands Strait, the complete ship, lock stock and barrel, the whole shebang, vanished from under my hands by an act of Pirates, and this while the salvage was still in progress! While we were sleeping, our pumps were still running to keep the water out coming in from a few minor leaks. Very convenient, for those Pirates! Now, watch this… During their vicious action, the Pirates were been disguised as genuine Police officers, a real Civil servant from the Waterworks Dept. and – of all people - a very real looking Officer of Justice! Right…“JUSTICE” that is! What more weird adventures one can run into in this, our line of work!? Well, of course I did not agree with these developments, got really pissed off, and went mouth foaming after the Pirates. That rattled out off hand gigantically… It turned out very rapidly that those Pirates were not been disguised at all, they were very real, and also very, very corrupt! And on top of it, they were taken in protection against me by their big Boss himself! To shorten an awfully long story, I lost. After a long, hard battle for more than 26 years, the Pirates Boss, the Secretary of Justice, shot me down (please, no flowers). Their criminal racket is widely known as “The Dutch Government” and still very active, just like their predecessor in the old days of the notorious, infamous and worldwide feared “VOC” (transl. United East Indies Company).
Needless to say, as a Dutch citizen I’m still awaiting a decent answer from the VVD Party…
Part 3) Another act of Piracy It happened in May 2006 that another act of disguised piracy and betrayal stirred up the ranks of the Dutch right-wing so-called Liberal political party VVD, (transl. ‘For Freedom & Democracy’). This time the Pirates lurked, and later attacked viciously, from within the inside, destroying anything good on their own turf…
Miss Ayaan Hirsi Ali, a young African-borne woman who had liberated herself from the suffocating chains of traditional Islam, had traveled the long winding road to flee from her hopelessly poor, war stricken home country Somalia, and hoped she had finally found a home in the Netherlands. You know, that insignificantly small European loud-mouthed moralizing-about-everything-and-everybody-in-the-world country. Purely by her own highly admirable mental powers, spiritual strength and intellect, and driven by strong idealism and belief in a better world - in the process learning to impeccably understand, speak and write the Dutch language - she managed to find a job in the Dutch political arena, first within a think-tank from the left-wing PvdA, and after a short period of learning and understanding changing her political course towards the VVD. She became highly admired for her skills, for her outspokenness, and for her clear view on one of the most despicable issues of Islam, the repression and discrimination of woman. In short, she became a skyrocketing figure in the VVD and after being unanimously appointed a distinct and dedicated Member of the Dutch Parliament. Of course, among her colleague Party- and Parliament-members, jealousy secretly started to grow against her… Following her strong and righteous beliefs of woman’s-rights, she took part in the making of a controversial movie, (Submission). Shortly after the movie became public, the making of this movie got her friend and co-maker Theo van Gogh murdered by a radical Muslim. The murderer also threatened her herself, a written dead sentence knifed down into the body of her murdered friend. She came under constant security surveillance, making her life a lot more complicated and a whole lot less to envy. Meanwhile, her undeniable great qualities in clear, productive thinking and to-the-point approach of complicated issues drew worldwide attention, several well-earned Awards were been handed over to her. In fact, she rapidly outgrew her party colleagues, her star rising internationally soared high above the low-lying, (low-life!) ‘Dutch Polder Model’ politics and politicians. Then, from the dark dungeons of party-politics, the green monster of jealousy disguised as a friend lashed out at her. A party colleague and so-called friend had deemed it necessary to dig in her past and came up with allegations of her lying about her name and birthday upon entering the Netherlands, although the Immigration Authorities knew all factual info about it for years. With tears in her eyes in front of the gathered media, she announced her immediate leave from the Dutch Parliament and went away, back on the road again… I know for a fact by experience: Dutch politics is a sickening Piracy business.
August 21 PitfallPITFALL From: “Salvers-Working on Water”. Copyright © 2005 Geert Theunisse
It was in the dead of night when the bunker barge ESSO-6 sailed downstream on the Krammer-River, exactly at the spot where nowadays the Krammer-locks are situated after the completion of the well-known Dutch ‘Delta-works’. Her cargo was nearly 3000 tons of heavy bunker-fuel from Rotterdam with destination the Sloe-area in the Western Scheldt estuary. It was high water, and a howling storm was blowing with near-hurricane force winds from the West sometimes tipping 12 Bf. A tidal surge of close to three meters at the top of high water was been reached and ebb tide had just set in. Our modern, electrical-powered green navigation buoys from nowadays where still gas-operated, white-lighted, black painted buoys that time. There was really a lot of water everywhere, heavy rain and snow, large waves, and the ESSO-6 pounding straight into it with her enormous, blunt bow, continually sending large explosions of spray water into the sky, sweeping over the deck to the aft. Navigation by eyesight was therefore non-existent. Nevertheless, the Mate had still one white light from a ‘gas buoy’ in sight and steered towards it, of course keeping the light neatly over the port bow. But alas! It just wasn’t a white-lighted gas buoy. It was the shore beacon called ‘Stoofpolder’, several miles downstream, and opposite of the fisherman’s village Bruinisse. He had not noticed the difference of caracter between any buoy and that particular beacon. With all the powerful might from her big ABC engine, the ESSO-6 smacked aground on the sandbank between the deep-water route ‘Krammer’ and the also deep but leading nowhere gully ‘Slaak’. Red alert was been given immediately. I was in some sort of a time-charter with the salvage firm Muller-Terneuzen that time, and in great haste, Dries B. the rather famous salvage-inspector from that firm, came rushing over to my station by car and jumped onboard Fury-2; we where all-set already of course and out we went. The second I steered Fury-2 out of the protecting harbor pier heads, we went underwater, and I mean really down-under. Green water climbing violently all the way up against the wheelhouse windows and the roaring sound of it was terrifying. Dries, not exactly a rookie anymore for a long time, growled: “Hey! What’s up? Are we going to drown here, or what?” Well, we didn’t, and we rolled and twisted to the ESSO-6, meanwhile downstream the full running ebb tide, with the still howling storm against the current, making the ride on the large and steep waves very bumpy. Arrived at the position, the tanker was of course high and solid aground, leaving us idle until the sandbank was drying, and Dries could walk over; the storm going on relentlessly meanwhile, leaving any other option useless anyway. Around noon, the ESSO-6 was high and dry on the sand and the surface became passable by foot. From a distance, it looked as if the ship stood reasonably flat and sturdy on her sandy surrounding…My Mate rowed Dries over to the rim of the bank and he started walking to the ship, five hundred meters away. Meanwhile, the telephones from Muller and the Belgium ESSO office where very, very occupied, by Muller to try to get the salvage-job, and by ESSO trying to keep them away from it! The ESSO office kept in between also close contact with the Captain of the ship about the situation of course. By the looks of it, the captain told them, it wasn’t that bad at all, the ship was holding on, or should I say…was hanging in, and everything looked okay, still. For the time being, the ESSO office preferred to believe there own Captain, keeping the Muller office at a distance in the process. Meanwhile, Dries had walked over to the amidships starboard side. A long ladder lowered and Dries climbed onboard. He stepped on the deck, shaking hands with the Captain, and all that. At exactly the same second, the ESSO-6 broke her back! The whole stern-part, plus tanks 6-port and 6-starboard slowly and stately bending down, as in a slow movie replay thru my binoculars. At once, I saw black streaks of bunker-fuel appearing on the ships starboard flank. Dries ordered me to contact the Muller office immediately on the VHF office-channel to report what happened, where after Muller got lightning fast in touch again with the ESSO office: “The ESSO-6 has just broken-down!” The ESSO office: “That ain’t true at all! We’ve just spoke with the Captain a minute ago, and everything is just fine, he told us! You’re pulling my leg, you rascal!” That’s how fast things can change. The stress on the ships hull had been build-up tremendously. Just as if the weight from Dries stepping onboard gave her the final blow! Overall, it went to a fine but messy job: transshipping the cargo, a lot of spills to clean-up, etc. After most of her cargo was been pumped out, we towed her into a small harbor basin nearby at the Grevelingendam. There, she emptied completely and things were wrapped-up. Later on, the case came before a Lloyds London Committee for the salvage remuneration, and a particular detail turned out a bit embarrassing for the Captain. That the ship stood flat on the bank as nicely as the Captain had told everyone, I mean. He told the Court over and over again also that he had not used his engine ‘full-astern’ the moment after he ran aground. This was a bit difficult, for him, but for the committee also; because pictures (from Muller) showed that straight under and far in front of the propeller there was a big, wide, deep abyss in the sand; a pit big enough to drop a house in. The pit stayed full of water of course, not that good visible from the deck. Let’s be a bit honest here. Everyone goes ‘full-astern’ the moment after he hits the floor under those circumstances. A perfectly natural reaction, I guess.
August 19 RadarRadar-navigation From: “Salvers-Working on Water”. Copyright © 2004 Geert Theunisse
To navigate correctly on Radar requires learning and gaining experience. In addition, the large Dutch estuary rivers are blessed in fall with a well known phenomenon called ‘fog’. And now I mean the sticky, dense wet soup in which one cannot find ones own ass with both hands and a search-light to wipe it clean. Picture this for example: at six thirty in the morning, the sky is crystal-clear and ships, big and small, loaded and empty, all in a rush to make a days pay, start to move about, lifting anchors, hauling in moorings, ships engines happily humming already. At seven fifteen, when everyone is finally on his way, the thick white curtain goes down in only ten seconds.
Then it starts: the sudden rattling of anchor chains again, at places were with clear view you never would find a skipper crazy enough to anchor. Not for a million bucks, he wouldn’t! On the VHF, those emergency anchoring maneuvers are immediately followed by these peculiar kinds of prayers to the strangest breeds of Gods, with a wide variety of hellfire, damnation, cursing, and some very complicated comparisons made by skippers among each other, about more specific names of parts of the human body from every gender, which I shall gracefully omit here.
In about five minutes, the river is now speckled with radar-echoes big and small and everywhere. VHF ship-to-ship traffic-channels completely cocked-up with strange noises, faintly tickling ones oldest DNA particles of ones memory about those long forgotten secret and bloody barbaric ceremonies in the long gone far away dense woods of the evening land. And…rests assure: when there is a fog coming up quickly as this, the tide is falling, always! Therefore, in short, you must be one hell of quick learner, navigating by radar on these waters in fall, when you are called for by a desperate mayday, being just a rookie salvage captain! A realy good lesson I received from River Master G. de B., at the time assigned to ‘RWS-Post Wemeldinge’. We were searching in the densest of a fog like howling madmen for a large “Eiltank” motor tanker with an evenly large tanker barge attached alongside, which unit had short before reported herself grounded – at falling tide of course – and from then had vanished from the radio channels. Afterwards, it turned out that after she hit the ground, the captain had started telephone frenzy with his owner, reason why we could not reach him no more. We, searching and searching along in great haste, staring ourselves silly in the radar screen and didn’t found shit! Until Ger yelled on the VHF, from twenty miles away: “Hey you dude, turn you ‘gain’ knob slowly back until your screen starts to look real empty!” Mind you about this Radar, onboard Fury-2 that time. This was an ancient DECCA set, filled up with glass radio valves, large and small (large mostly). It didn’t had ARPA you know, or VRM distance measuring, or a build-in compass, let alone GPS tracks, speed, ETA or what ever! Just a very long but still narrow CRT in a box, weighing about one Ton, with a thick fat sweep and some blurred rings on it, resembling only remotely ones average mileage. Of course, DECCA is still around, very much alive and much more sophisticated these days.
Obeying little boys as we were, I followed his advice immediately and first of course, the weaker echoes disappeared from the CRT. Next, the contours from the coast vanished, followed by the jigsaw puzzle from nearby sandbanks and rims of reed fields and the like. Normally, you do just the opposite; adjusting your gain until you have a nice ‘full’ screen, with preferably all and every solid object on it, surrounding you in the soup! That’s the best method for not bumping into you fellow skippers - pissed off as they are already - and dumb immobile things as buoys, sandbanks, heavy dikes and so on, you know.
But what was finally left on the Radar screen with the low gain? The “Eiltank”! A nice big rectangle shaped echo from this large chunk of solid steel from 100 by 19 meters, in the middle of (very) high grounds just starboard from the entrance of “Steenbergse Vliet”. On the ‘normal’ radar screen, this big solid echo was completely dissolved into the much larger echoes from the grass-covered high ground where she was sitting on. Strangely enough, this little river entrance, nicely trimmed with dense reed en tall grass, gives a far better echo on the screen then the massive stone-build pier from the Schelde-Rhine-Canal entrance, a few hundred meters more to the west, and the original but sadly missed destination from the “Eiltank” in the first place. Later, RWS deployed, for better recognition, a Racon buoy in front of that massive pier. (It’s a pity really, for some of us!) The German captain from the Eiltank had his destination into the Canal mixed up with the nice little river entrance – the one with the well-defined view on the screen – and banged fair and square on the floor of mother Earth, and yelled very disappointed: “Ach scheiße! Verdammt noch mal. Falsch gemacht!......Hilfe!!!”
In the afternoon at low tide, a flock of sheep wandered around the gigantic steel intruder on their turf. Ships and sheep all safely on high ground…He really had it made, that German Captain! Later on, we learned a lot more of this little radar tricks and took advantage of it. Now I come to think of it… Ship, sheep
August 18 De Mi-Amigo affaire...Pleitnota Theunisse, zitting 15 aug. 2006, Nr. 06/2214 WOB V114 BB G268 Prins Clauslaan 60 te Den Haag Hooggeacht College, Op 14 juni 2006 zond appellant U ter informatie een boekwerk getiteld: “No cure-No pay contra de Staat der Nederlanden”, ISBN 9080838632, (Prod-E). Vanzelfsprekend zond appellant het boek ook naar de Staat, met name naar de Staatssecretaris van Financiën, van het Minfin, (zie KPN-ticket). Enige dagen later werd appellant door Uw Griffie gebeld met het bericht, dat het exemplaar voor de Staat kennelijk niet bij geadresseerde was aangekomen. Okay, de ene ambtenaar jat een compleet zendschip, de andere een boek… Daarop zond appellant nogmaals een exemplaar naar Uw Griffie, met een verzoek tot doorzending naar de Staat, (zie KPN-ticket). Nadere uitleg over de strekking en het doel dezer zaak is dus hier en nu overbodig. a) De Staat beroept zich nu sinds 1,5 jaar op de Wet, (WOB) om te trachten appellant ervan te overtuigen, (overigens tevergeefs!) dat hij geen recht heeft om op zijn verzoek bepaalde stukken uit zijn eigen Justitie- en/of Belastingdossiers in te zien; althans, zij weigert appellant’s inzage in het overgrote deel der door hem gevraagde stukken. b) Appellant zelf verwees in zijn verzoek naar de WOB. Hij had ook kunnen volstaan met simpel een verzoek op grond van de Wet; omdat niet de keuze der Wetstitel, maar de strekking en het doel van zo’n verzoek ter zake doen, zeker nu de WOB voorschrijft, dat degene die het verzoek in behandeling neemt, de verzoeker behulpzaam dient te zijn. c) Appellant’s beweegredenen voor, zowel als de strekking en inhoud van, zijn verzoek waren duidelijk en niet mis te verstaan. Voorts is het beroep op de WOB ook correct, nu in de WOB is vastgelegd dat “eenieder” een verzoek kan indienen, waaruit volgt dat een direct belanghebbende bij een bepaald dossier niet is uit te sluiten van een beroep op de WOB. d) Voorts stelde de Staat dan weer, dat appellant “in principe” wél het recht heeft om van bedoelde stukken kennis te nemen, echter niet op grond van de WOB. e) Wederom echter onthield de Staat appellant het recht om bepaalde stukken in te zien, nadat appellant óók op grond van een andere Wet, (Awr) hetzelfde verzoek had ingediend. Dit nadat de Staat appellant, (zie boven: “behulpzaam zijn”) zelf op deze mogelijkheid had gewezen! (Zie ‘Hoorverslag’ 24/25 mei 2005, Prod-9) f) Als gronden voor afwijzing van appellant’s beide verzoeken voerde de Staat zeer uiteenlopende, erg onwaarschijnlijke en zelfs kennelijk, cq duidelijk gefantaseerde redenen aan. Conclusie: de Staat was, is en blijft onwillig om appellant (eindelijk) recht te doen. Echter, een voorname plicht van de Overheid, cq de Staat tegenover haar Burgers is behoorlijk bestuur te voeren. Het recht en de verwachting van elke burger ís ook dat de Staat behoorlijk bestuur zál voeren en dit zal blíjven doen, óók vooraf, tijdens en na het ontstaan van zakelijke belangen met een burger, óók in geschillen mogelijk daaruit voortvloeiend, en óók dat de Staat daarbij om haar gelijk te krijgen zich niet zal verlagen tot het niveau van wetsovertredingen en slinkse juridische en politieke maneuvres. Daarbij is en blijft de Staat óók verantwoordelijk voor al de ambtshalve daden of verzuimen van de door haar aangestelden. In deze zaak verzaakte de Staat, vanaf het begin tot heden, deze plicht tot behoorlijk bestuur.Daarbij veroorloofde de Staat zich een lange reeks van hande-lingen die op niet één recht gestoeld zijn, niet op grond van de Wet, niet op grond van enige regel, laat staan op grond van behoorlijk bestuur; integendeel, deze handelingen druisten in tegen Wet, Norm en Regel. Voor een, niet uitputtende, opsomming verwijst appellant U naar de procedurestukken, de Produkties en hierna nog toegelicht; met name op het hebben van niet één recht. 1) Niet één recht had de Staat om tm. wachtmeester W. W. ertoe te bewegen meineed te plegen inzake de juiste – óngewijzigde - inhoud van de door appellant met hem gevoerde telefoongesprekken op 23 september 1979, waarin een bergingsoverkomst, met name een L.O.F. “no cure – no pay” contract, werd gesloten; 2) Ook niet om diezelfde wachtmeester ertoe te bewegen zijn schriftelijke dag-mutaties terzake te vervalsen, of laten vervalsen; 3) Ook niet om, na appellant’s uitvoering van de opdracht, langdurig te blijven ontkennen dat de opdracht ooit gegeven was; 4) Ook niet om het geborgen schip te óntvreemden, noch te vérvreemden ex Art-117 Sv. 5) Ook niet om appellant’s recht van retentie op het geborgen schip totaal te negeren; 6) Ook niet om de eigen, wettelijke beslagregels op grove wijze met voeten te treden; 7) Ook niet om tot een – geheime - onderhandse verkoop van het schip te besluiten; 8) Ook niet om na te laten appellant tijdig te waarschuwen dat een verkoop ophanden was, nota bene al terwijl de berging van het schip nog volop gaande was; 9) Ook niet om een tm. politieadjudant, J. Kamp, in het kader van bovengenoemde bergingsopdracht contractbreuk en fraude te doen plegen, en daarna ook nog het door deze ambtenaar ontvangen van geschenken en steekpenningen níet af te keuren; 10) Ook niet om de ambtenaar van RWS, B. Rijpkema, vrijuit te doen gaan, nadat hij “in vereniging” met J. Kamp bovengenoemde feiten mede pleegde; 11) Ook niet om een ‘taxatierapport’ van de Dienst-Vaartuigen op te voeren, waarvan B. Rijpkema tegenover de Rijksrecherche bekende, dat dit rapport ná de verkoop was opgesteld en moest uitkomen op een bedrag in de buurt van de eerdere koopsom; 12) Ook niet om tm. OVJ te Amsterdam, Mr. Pieters, na diens kolossale blunders in deze, ten koste van zeer grote schade en ellende voor appellant, de hand boven het hoofd te (blijven) houden; 13) Ook niet om toe te laten dat een proces-verbaal inzake de berging, van een andere, (wél integere) wachtmeester, door voornoemde adjudant Kamp werd vervalst; 14) Ook niet om de adjudant Kamp en de OVJ Mr. Pieters tijdens de getuigenverhoren meervoudige meineed te laten plegen; 15) Ook niet om adjudant Kamp toe te laten de rapportage van ambtenaren aan de Hoofd-Officier van Justitie te Amsterdam, over de toestand van het schip, te laten leiden, welke rapportage nadien door de Rijksrecherche werd aangeduid als: “een samenweefsel van verdichtsels”; 16) Ook niet om tegenstrijdige verklaringen en leugens van OVJ Mr. Pieters in het kader van het rijksrecherche onderzoek toe te laten. 17) Ook niet om adjudant P. Kamp te doen liegen tijdens het Rijksrecherche onderzoek; 18) Ook niet om toe te laten dat de Landsadvocaat de Wet zou gaan overtreden; 19) Ook niet om, onder supervisie van de 2e Landsadvocaat, bij monde van adjudant J. Kamp, door appellant opgeroepen getuigen, (allen politiebeambten) te pressen – onder meerdere bedreigingen in de sfeer van promotiekansen en verlies van banen - om níet op het door appellant gevraagde getuigenverhoor te verschijnen; 20) Ook niet om een volslagen onjuiste voorstelling van feiten te geven, enerzijds aan de Rechter-commissaris, anderzijds aan appellant’s advocaat, om daardoor een uitstel, cq intrekking van de door appellant gevraagde getuigenverhoren te verkrijgen; 21) Ook niet om toe te laten, dat door appellant opgeroepen getuigen, vóór het getuigenverhoor, door de 2e Landsadvocaat onder zware druk gezet en ‘geprepareerd’ werden; 22) Ook niet om, uitsluitend terwille van het behoud van haar overwicht in de zaak, processen-verbaal en: “…welke stukken dan ook…” (citaat uit brief van de 2e Landsadvocaat), achter te houden. 23) Ook niet om appellant meerdere telefonische bedreigingen en intimidaties te laten ondergaan; 24) Ook niet om, nadat de Rijksrecherche de zaak onderzocht had en een voor de Staat vernietigend rapport had uitgebracht, daarbij oordelende appellant’s klachten over de gang van zaken “…in hoge mate legitiem te achten.” dit gehele rapport en de conclusies daarin volkomen te negeren; 25) Ook niet om toe te laten, dat de tm. Minister van Justitie, Prof. Mr. J. de Ruiter, door tm. Prof. Mr. H. Schadee voor te stellen als bindend adviseur -volgens de Minister een figuur “die geen binding met de Staat heeft, en ook niet met u, meneer Theunisse”- daardoor appellant, en óók de Tweede Kamer, volkomen misleid en voorgelogen werden; 26) Ook niet om toe te laten dat appellant’s mondelinge overeenkomst van 18 aug. 1980 met de Minister van Justitie al direct na gesloten te zijn volledig onkracht werd; 27) Ook niet om slechts ten dele, of geheel níet, de terzake doende documenten van het schip te produceren, terwijl achteraf bleek dat de Staat deze stukken wél in haar bezit had, nadat appellant’s advocaat en hijzelf eerst veel tijd, moeite en kosten hadden moeten spenderen om dat te achterhalen; 28) Ook niet om tot in laatste instantie het door Prof. Schadee uitgebrachte, partijdige, onvolledige en onbillijke “bindend advies”, ondanks appellant’s herhaalde protesten in stand te willen houden; 29) Ook niet om te trachten via ‘stromannen’ verschillende, uitermate belachelijke ‘damage-control’ pogingen te ondernemen, en daarmee bij appellant grote onrust, onzekerheid en spanningen te veroorzaken; 30) Ook niet om de Nationale Ombudsman, Prof. J. Rang, na een onderzoek van bijna vijf jaar, slechts te doen concluderen, dat de Staat, (met name de minister, de OVJ, de adjudant en de RWS ambtenaar) “niet behoorlijk” had gehandeld, hem daarbij geen “aanbeveling” te laten doen, hem daarbij alle strafrechtelijke aspecten te laten negeren, en voorts zijn medewerkers een zwijgplicht over de zaak te doen opleggen, óók tegenover klager, in casu appellant; 31) Ook niet om op Directie-Politie niveau een directive te doen uitgaan waarin het de Rijkspolitie te water verboden werd: “…om welke reden dan ook nog enig contact met Theunisse te hebben.” En: "Laat die Theunisse nog maar een tijdje zwemmen, die verzuipt wel." 32) Ook niet om via een verzoek om interventie bij de Rabobank te trachten de ondergang van appellant’s bedrijf te bewerkstelligen 33) Ook niet om ook het tweede “bindend advies” vooraf te sturen en te beïnvloeden, door het wederom doen benoemen van een niet-onpartijdige adviseur, en wel door rechtstreekse interventie van de tm. Minister van Justitie; 34) Ook niet om toe te laten dat de Staat middels de 4e Landsadvocaat, appellant in 1988, ondanks zijn in 1979 goed uitgevoerde opdracht, achterliet met f 300.000,- verlies aan bedrijfsschade en juridische kosten; 35) Ook niet om zich te beroepen op verjaring: (Prof. R. Cleton/Justitie; 4e Landsadvocaat). De 2e Landsadvocaat zelf bevestigde eerder schriftelijk dat de verjaring geschorst was; hij stelde daarbij geen limiet in tijd, noch beperking tot een bepaalde procedure; Ook niet om zich te beroepen op het door appellant niet (tijdig) overgaan tot actie, na uitblijven van vervolging op zijn aangifte bij het OM van gepleegde strafbare feiten: (Prof. J. Rang, Nationale Ombudsman); Ook niet om zich te beroepen op het door appellant niet (tijdig) overgaan tot actie in protest tegen beide, nietig te oordelen “bindende adviezen”: (Minister Donner/ Justitie; beantwoording Kamervragen; A. Wolfsen, 2e Kamer, PvdA). -Het is in het geheel niet van belang wat appellant al dan niet – achteraf - ondernomen heeft, of had kunnen ondernemen, tegen de machinaties van de Staat. Getoetst dient slechts te worden of tijdens de handelingen der Staat behoorlijk bestuur is gevoerd. -Het feit dat overal geneeskundige hulp beschikbaar is, rechtvaardigt niet om dan zomaar iemand te mishandelen. -Het feit dat overal brandweer bestaat en paraat is, rechtvaardigt niet om dan zomaar iemands eigendom in brand te steken, enz, enz. -Het optreden van de Staat in deze valt niet te rechtvaardigen door een mogelijkheid - achteraf - van beroep hiertegen, zo appellant hiertoe al financieel bij machte zou zijn geweest, wat niet zo was; de daden zíjn dan al gepleegd, de schade ís dan al ontstaan. -Met name het voorgaande werd gedemonstreerd toen de 2e Landsadvocaat werd ‘berispt’ door de Raad van Toezicht, na zijn acties inzake het verbieden van de door appellant opgeroepen getuigen om voor de Rechter-commissaris te verschijnen. Berispt, ja, maar de schade door zijn acties ontstaan bleef onvergoed. Prof. J. Rang: “en ook langs andere weg laat zich geen directe verantwoordelijkheid van de Minister voor de wijze waarop de Landsadvocaat optreedt construeren.” -Een beroep op het OM om, middels aangifte van laakbare, cq strafbare feiten, te vragen om ‘in eigen vlees te snijden’ is immers al te vaak een zinloze actie gebleken. -Een rechtsgang tegen de Staat is niet meer dan een symbolisch doekje voor het bloeden; rechten tegen de oppermachtige Staat, die wordt bijgestaan door de Landsadvocaat met een overweldigend arsenaal aan trucjes en listen, en zonder enige terughoudendheid waar overtreding van Wet of Regel nuttig geacht wordt, is voor de niet kapitaalkrachtige burger als appellant een volslagen onbetaalbare illusie en - om meerdere redenen - bij voorbaat tot mislukking gedoemd, zoals ook gebleken is. Minister Donner onlangs: “Rechten is te duur!” Hier en nu een fors understatement. 36) Ook niet heden. De Staat heeft zich, door de handelingen onder 1) t/m 35) toe te laten, geconformeerd áán en vereenzelvigd mét dit optreden van de door haar aangestelden en daardoor zelf al haar rechten in deze teniet gedaan. In de loop van vele jaren is de houding van de Staat jegens appellant en het negeren van zijn rechten tot een verwerpelijke trend van onwil, arrogantie en geheimhouding uitgegroeid. Nochthans voerde appellant slechts het hem door de Staat opgedragen werk stipt en naar behoren uit! Deze kwestie is zeker niet uniek. Dezelfde af te keuren trend deed en doet zich voor in zaken als “Oltmans” en met name ook de uiterst schrijnende zaak “Ovaa – Spijkers”, en andere. Prof. Leo Huberts, hoogleraar bestuurskunde (integriteit en bestuur) aan de Vrije Universiteit in Amsterdam over de zaak “Ovaa – Spijkers”: (© Katholiek Nieuwsblad ’s-Herthogenbosch) "Ten eerste: Geen enkele politieke of ambtelijke functionaris mag zich kunnen onttrekken aan de verantwoordingsplicht voor ernstig falen in het verleden. Van strafrechtelijk onderzoek en procedures kan niemand worden gevrijwaard. Het is aan de rechterlijke macht hier de grenzen te trekken." Dit kan alleen gebeuren als de archiefstukken dienaangaande beschikbaar zijn. Ten tweede is er geen enkele reden informatie over Spijkers en Ovaa langer geheim te houden dan in dit soort gevallen gebruikelijk is. De archieven zouden beschikbaar moeten komen en te raadplegen zijn op een wijze die voor soortgelijke gevallen geldt. Het is aan de (bestuurs)rechter dit te toetsen." Opmerking: U kunt in het bovenstaande citaat de namen ‘Ovaa’ en ‘Spijkers’ zonder meer en naadloos vervangen door appellant’s naam: ‘Theunisse’. Deze zaak gaat niet over defensie-, terrorisme-, of andere gewichtige staatsgeheimen. Deze zaak gaat over het falen van de bestuursvoering der Overheid in een, in zijn oorsprong, voor de Staat volkomen onbelangrijk incident, met echter voor appellant zeer schadelijke gevolgen. Appellant heeft zonder meer het volste recht om elk document in elke denkbare vorm, elke notitie, kattebelletje of geel stickertje uit elk zijner dossiers berustende bij instanties van de Staat, in te zien, in kopie te ontvangen, en daarmee te handelen naar eigen goeddunken. Het is dringend noodzakelijk dat de eerder genoemde kwalijke trend nu doorbroken wordt, dat getoetst wordt of de Staat indeze behoorlijk bestuur gevoerd heeft en zo dat dit niet het geval is, daaraan passende consequenties te verbinden. 12 aug. 2006 G.A.C. Theunisse De Mi-Amigo affaire... Verslag appelzitting 15-08-06.Verslag der 2e appèlzitting in het WOB-verzoek van G. Theunisse op 15 aug. ‘06, in het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te Den Haag.
Deze keer met de (stop)trein gegaan; van CS-Den Haag naar de Rechtbank is maar 5 minuten lopen; dat red ik nog. Ruim op tijd voor de zitting binnen. Een paar minuten voor aanvang komt Mr. Rutten, (de Staat) ook aan en begint direct een geanimeerd gesprek…(?). We kletsen wat en hij begint zelf over de ‘missing link’: “het boek”. Ik vraag hem of hij het van de Griffie heeft ontvangen, wat hij bevestigt. Hij vertelt ook dat het 1e boek, wat ik dus naar de Staatssecretaris op het Minfin stuurde, misschien ooit nog wel zal opdagen: ‘Maar ja, meneer Theunisse, u weet het, hè, groot gebouw, veel mensen, lange lijnen; ik denk dat het uiteindelijk wel in onze biblio-theek zal komen te staan.’ ‘…???...’ En toen riep gelukkig de Bode van zaal E-3, precies op tijd, 11.50 uur: ‘De zaak Theunisse!’ De Rechter opent weer met een korte uitleg over het doel van de zitting. Daarbij stipt hij aan wat sinds het vorige beroep gebeurd is, maar wijd ook wat tijd aan de vorige zitting. Nú zegt de Rechter, dat hij ook toen al inhoudelijk op de zaak was in gegaan. Echter, in het vonnis had hij geoordeeld: “Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven. Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.” Weet je, daar krijg ik nou altijd jeuk en uitslag van: dat onzorgvuldige gedoe. Vervolgens krijg ik van hem weer de 1e termijn, die ik wil gebruiken om de intro, plus de laatste pagina van mijn pleidooi voor te lezen: ‘Om niet al te veel beslag op uw tijd te leggen, Edelachtbare’, probeer ik nog. Maar niks hoor, helemaal voorlezen! De Rechter: ‘Het kan zijn dat Mr. Rutten op uw pleidooi wil reageren, dus moet hij het dan ook eerst helemaal horen.’ Oké, rond delen die zooi, en gaan voorlezen. Daarmee klaar, heeft de Rechter eerst een opmerking: ‘Meneer Theunisse, ik moet u er wel op wijzen dat deze zitting uitsluitend kan handelen over de door u aangespannen WOB procedure; dat is nu eenmaal zo.’ Ik, balen als ’n stekker; de kleine hoop die ik had, dat hij wat verder zou kijken dan z’n neus lang is, is nu wel ongeveer foetsie. (Ik dacht in mijn onwetende verwachting dat alles wat aan een Rechter wordt voorgelegd ook door hem beoordeeld wordt.) Mr. Rutten in zijn 1e termijn, haakt daar natuurlijk gretig op in. Ook hij leest zijn anderhalf kantje pleidooi voor, alweer bijna onverstaanbaar, maar gelukkig hebben we het ook op papier. Hij vertelt omstandig dat inderdaad alleen de WOB procedure ter sprake kan komen; dat “het boek” niets toevoegd aan mijn argumenten in deze: ‘…maar dat het boek wel illustratief is voor wat is voorgevallen rond de berging van de Magdalena.’ (!) En ook: ‘De gebeurtenissen naar aanleiding van de berging leidde tot het verzoek van appellant om op grond van de WOB de gevraagde documenten openbaar te maken.’ Joepie! De Staat zélf bevestigt hier dat: 1), de oude zaak én 2), de onderhavige WOB procedure, in feite één en onverbrekelijk zijn: de 1e de directe aanleiding tot de 2e ! Maar ook weer: ‘In het onderhavige geval zijn echter niet alle gevraagde documenten aan-getroffen, namelijk de documenten als bedoelt door appellant onder 1, (Brief van W. van de Camp aan Joop Wijn) en onder 3, (Brief van Joop wijn aan de Directeur-Generaal Belastingdienst) zijn niet aangetroffen.’ En ook: ‘Dat appellant hier mogelijk moeite mee heeft is begrijpelijk, gezien zijn ervaringen als gevolg van de berging van het schip de Magdalena.’ Theunisse, (denkend): “…hier mogelijk moeite mee heeft…” Godgloeiende…! Mr. Rutten vervolgt dan met weer hetzelfde gezeur over: ‘De WOB is om zaken van publiek belang te dienen, niet voor zaken van individueel belang.’ Vervolgens wijd hij uit over mijn beroep op de Awr, met hetzélfde verzoek om dezélfde stukken; en ja, toen had ik wél het recht om die stukken in te zien; maar ja… ’We kunnen ze echt niet vinden, Edelachtbare.’ De Rechter: ‘U hebt goed gezocht?’ Mr. Rutten: ‘We hebben alles afgezocht, Edelachtbare.’ De Rechter: ‘Wat denkt u daar nou van, meneer Theunisse?’ Theunisse: ‘Wat ik daarvan denk??? Zal ik hem dan nu maar de nek omdraaien!?’ Mr. Rutten: ‘Alsjeblieft niet!’ De Rechter: ‘Grrmpf…mompel…’ (Het klonk echt waar als ‘Ja!’) Wat kan ik daar nou anders van vinden dan dat wij, (ook de Rechter!) door de Staat gewoon bedonderd worden waar we bij staan, net als de voorgaande 26 jaar! ‘Commentaar, meneer Theunisse?’ vraagt de Rechter. Ik deel de Rechter maar weer mee, dat ik het toch wel héél erg sterk vind: van 3 sets van brieven alléén Nr.2 kunnen vinden, waar alleen wat onbruikbare prietpraat in staat, maar ook het onweerlegbare: “Gezien het bovenstaande stuur ik de informatie zonder mijn commentaar door naar de Directeur-Generaal Belastingdienst met het verzoek dit verder ter hand te nemen. Hartelijke groet, Joop”…”… en dan díe brief Nr.3, plus brief Nr.1, (van W. van de Camp) niet kunnen vinden…! Het volgende gedeelte gaat over de stukken van onderdeel 4 in mijn verzoek: “De volledige brief- cq memowisseling tussen het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Justitie, die blijkens de navolgende E-mail’s heeft plaatsgevonden.” De Rechter: ‘Meneer Theunisse, wat zou u ervan vinden om de stukken wel te ontvangen, maar dan met alle namen verwijderd?’ Theunisse, nu denkend aan de verplichting, aan de Staat opgelegd, om álle gevraagde stukken onder geheimhouding bij de Rechtbank te deponeren, vóór de aanvang der 1e appelprocedure: Hebben zij de stukken nu wel of niet hier liggen??? Theunisse: ‘Edelachtbare, ik heb al in mijn éérste verzoekschrift aangegeven dat ik geen bezwaar had om de stukken te ontvangen, krachtens Artikel 11-Lid 2, “in de niet tot personen herleidbare vorm." ' De Rechter: ‘Hoe zit dat, meneer Rutten; waarom heeft u niet overwogen om de stukken anoniem te maken en ze dan alsnog aan Theunisse ter inzage te geven?’ Mr. Rutten: ‘We vinden dat niet wenselijk, Edelachtbare. We hebben nu geconstateerd dat meneer Theunisse in zijn boek(en) alle namen van de betrokken ambtenaren laat verschijnen. We hebben besloten om het verzoek van de heer Theunisse weer af te wijzen, ook ter bescherming van de ambtenaren die aan de beantwoording van de in deze laatst gestelde Kamervragen hebben meegewerkt.’ Schrijf ik ook eens een boekje, wordt het gelijk tégen me gebruikt! Mr. Rutten herhaald ook nog maar eens, dat deze stukken bestemd waren voor ambtelijk overleg en intern beraad en daarom niet openbaar gemaakt kunnen worden. En toen kwam het… De Rechter, afrondend: ‘Meneer Theunisse, hebt u tengevolge ván en ín deze WOB procedure nog schade geleden?’ Theunisse: ‘Jazeker Edelachtbare! Tengevolge van de weigering van de Staat om mij de gevraagde stukken af te geven, blijft de oude zaak slepen, neemt de schade toe en krijg ik niet de mogelijkheid om te bezien of daar misschien de oplossing in zit.’ De Rechter: ‘Mmm… Voor u is de WOB procedure maar één schakeltje in een lange keten, begrijp ik; maar de Staat zegt eenvoudig dat die oude zaak gesloten is.’ Theunisse, (denkend) Ja, dat zou ik als Staat ook zeggen! Zie 1) t/m 35) in pleitnota. De Rechter: ‘Als u vindt dat dit niet zo is, moet u een advocaat in de arm nemen.’ Theunisse: (eerst denkend): Zie verdomme pag. 6 van mijn pleitnota, oliebol! ‘Dat is onbetaalbaar, Edelachtbare.’ De Rechter: ‘Dan kunt u met een akte van onvermogen naar een Wetswinkel gaan en daar een advocaat krijgen.’ Theunisse: ‘Wat voor advocaat zal dát dan wel zijn, om tegen de Staat en dús weer tegen de Landsadvocaat te moeten gaan knokken?’ De Rechter: ‘Nou, de advocatuur in Nederland staat op een hoog plan, hoor.’ ‘Ik weet genoeg; binnen nu en 6 weken heeft u beiden mijn vonnis. Ik dank u voor uw nadere informatie en sluit hierbij deze zitting.’ En nu maar wéér duimen… 16 aug. '06 Geert Theunisse |
|
|