Geert Theunisse's profileGeert Theunisse MaritiemPhotosBlogListsMore ![]() | Help |
|
September 29 Beroep bij Raad van StateAan de Raad van State College der Afdeling Bestuursrechtspraak Postbus 20019, 2500 EA, DEN HAAG
Betreft beroep tegen: Uitspraak Rechtbank 's-Gravenhage, Reg. nr. AWB 06/2214 WOB, van 23 augustus 2006 in de zaak G.A.C. Theunisse tegen de Staat der Nederlanden/de Ministeries van Financiën en Justitie.
Hoogedelachtbaar College, G.A.C. Theunisse, (hierna appellant) wenst in beroep te komen van bovenvermelde uitspraak. U treft bijgaand aan: a) Kopie van de gewraakte uitspraak, hierboven vermeld, (bijlage-1). b) Kopie pleitnota van appellant, (bijlage-2. c) Kopie pleitnotitie van verweerder, (bijlage-3). d) Verslag der zitting van 15 aug. 2006, (bijlage-4). e) Kopie voorgaande uitspraak in beroep, (Reg. Nr. AWB 05/4926 WOB). (bijlage-5) f) Kopie verslag der zitting onder e), (bijlage-6). g) Kopie 1e WOB-verzoek, dd. 7 maart 2005, (bijlage-7). h) Kopie weigering van het verzoek onder g), dd. 15 april 2005, (bijlage-8). i) Alsmede ter nadere informatie, het volledige WOB-procedure dossier in PDF formaat, alsook een boek in PDF formaat, ISBN 9080838632, tesamen op Cd, (bijlage-9). Indien vereist/gewenst zal ik U alsnog per omgaande de papieren versies nazenden. De Staat bezit de genoemde bijlagen reeds.
Appellant verzoekt Uw College eerbiedig, in verband met de reeds verstreken en nog te verwachten tijdsduur, zelf deze zaak inhoudelijk te behandelen.
Gronden voor het beroep: Appellant voert voor dit beroep de navolgende gronden aan. 1) De uitspraak ontbeert een evenredige Rechtsbedeling. 2) De uitspraak ontbeert voldoende toepassing van het Recht. 3) De uitspraak ontbeert de vereiste onpartijdigheid. 4) De uitspraak en de gevolgde procedure ontberen de vereiste zorgvuldigheid in behandeling.
Rechtsbedeling Soms bekruipt appellant het gevoel bezig te zijn met een achterhoedegevecht, ja zelfs met een verloren strijd. De zaken en kwesties beziende die breeduit en langdurig de media halen, waarin het ergste geboefte uit de samenleving de meeste aandacht, de beste juridische bijstand en de meest omzichtige benadering door het OM en ook de Rechterlijke macht geniet, is de behandeling die appellant van staatszijde ondervindt ronduit armoedig te noemen. Dat komt simpelweg omdat indeze de rollen zijn omgedraaid; niet appellant doch de Staat der Nederlanden is hier in de fout gegaan en het toegeven van fouten is nu eenmaal niet de sterkste kant van de overheid. Dat geeft maar onrust! Dat inmiddels door de gemiddelde burger ernstig wordt getwijfeld aan de moraliteit/kwaliteit van het Staatsbestuur, het OM en de Rechterlijke Macht wordt in apathie en kennelijke onmacht ondergaan.
Grief 1) Tot aan zijn pleidooi op 15 aug. 2006 werd door de Staat met geen woord gerept over de toepasselijkheid van de Awr als rechtsgrond in zijn motivering om appellant wel onderdeel 2. van het verzoek (dd. 7 maart 2005) ter inzage te geven en niet de onderdelen 1. en 3. Dat appellant met een beroep op de Awr, (dd. 14 juli 2005) nogmaals hetzelfde verzoek indiende, waarbij wederom inzage in de onderdelen 1. - 3. en 4. werden geweigerd, doet daaraan niet af.
De motivering voor toestemming tot inzage in onderdeel 2. in het besluit van 15 april 2005 luidde: “Desalniettemin ben ik bereid om u een afschrift van de brief te verstrekken, omdat uzelf de betrokkene bent. Hiermee maak ik de brief dus niet openbaar, maar wordt u als betrokkene op de hoogte gesteld van de inhoud. De brief van 4 oktober 2004 zal als bijlage bij deze brief worden meegezonden.” Dit was en bleef de motivering van de Staat voor verstrekking van onderdeel 2. in een WOB procedure, tot de zitting van 15 aug. 2006, (zie a.u.b. dossier). Tijdens de 1e zitting in beroep, dd. 6 dec. 2005, wilde de Rechter van de Staat weten hoe die dat zag, en wat hij bedoelde toen hij appellant schreef: “…ik maak deze brief dus niet openbaar, maar als betrokkene wordt op de hoogte gesteld van de inhoud.” “Wat bedoelde u hier nu mee? Wat verwachtte u dat Theunisse met die brief doet? Hij kan er toch mee doen wat hij wil? Al zet hij hem op het Internet! Deze brief is nu toch ook gewoon openbaar.” Na lange aarzeling antwoordde de Staat slechts met “Ja”.
Deze ontwikkeling baarde de Rechter veel zorgen, maar nu appellant zich toch geen juridische bijstand kan veroorloven moest dit probleem op te lossen zijn. Hij nam eerst zijn toevlucht tot uitstel van de zaak door op een mandaatgebrek het beroep van appellant te laten ‘slagen’. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nam de Rechter vervolgens contact op met de Staat om tegen deze ‘gevaarlijke’ ontwikkeling te waar-schuwen, waarna de Staat voor de zitting van 15 aug. 2006 zich in zijn pleidooi alsnog kon wapenen met de verwijzing naar de Awr. Appellant komt hierop nog terug.
Tijdens de zitting in beroep van 15 aug. 2006 oordeelde de Rechter het gewenst om ter onderbouwing van de hierboven aangehaalde motivering de verbetering van gronden gewoon te bespreken met de Staat en deze inderdaad alsnog te baseren op de Awr. De Staat beaamde zulks gretig en stemde in met de bevestiging van de Rechter. De Rechter deed dit ten onrechte en met het enkele doel om daarmee te voorkomen dat de reeds op 15 april 2005 aan appellant verstrekte inzage van onderdeel 2. tot een ernstig conflict met de WOB zou leiden, en voorts om in zijn uitspraak nog steeds te kunnen vermelden dat de WOB uitsluitend het, vooronderstelde, publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. De Rechter ging nog veel verder. Hij bracht om dezelfde reden appellant in onduidelijke, dus voor meerdere uitleg vatbare, bewoordingen er toe, “zijn beroep, dat ziet op onderdeel 2. in te trekken”. Toen dit ter sprake kwam was de woordkeuze van de Rechter zodanig dat appellant veronderstelde dat de Rechter bedoelde dat, sinds appellant dit stuk al bezat, er geen reden meer was op dit onderdeel nader in te gaan. Uitsluitend daarom antwoordde appellant daarop bevestigend.
Dit bleek nu in de gewraakte uitspraak als volgt te zijn uitgewerkt: “De rechtbank stelt allereerst vast dat het document als bedoeld onder 2 door verweerder aan eiser is verstrekt op grond van de Awr. Eiser heeft ter zitting desgevraagd zijn beroep voor zover dat ziet op het document als bedoeld onder 2 ingetrokken. De rechtbank stelt daarmee vast dat het beroep van eiser zich beperkt tot het niet‑verstrekken van de documenten als bedoeld onder 1, 3, en 4.”
Ook ten onrechte negeerde de Rechter de stellingen van appellant, (in eerdere repliek) dat het wel degelijk het publieke belang dient, indien een lange reeks door de Staat begane bestuursfouten en overtredingen van Recht, Wet en Regel openbaar gemaakt en vooral, na openbaarmaking, gecorrigeerd zullen worden. Appellant acht het zelfs zijn burgerplicht om een dergelijke misstand publiek te maken, ook als hijzelf de direct benadeelde partij is. De Rechter achtte echter deze specifieke belangen van appellant - maar daarmee op dit punt ook de belangen van de rest van de Nederlandse samenleving - niet relevant.
Appellant kreeg daarentegen na voorlezing van zijn pleitnota direct van de Rechter te horen, dat het tijdens die zitting uitsluitend over het beroep in de WOB-procedure kon gaan, en over niets anders. Dit nadat de Rechter uit de pleitnota had vernomen dat appellant zich zijns inziens ook eenvoudig op ‘de Wet’ had mogen be-roepen in zijn verzoek, met weglating van ‘WOB’, daar de bedienende ambtenaar de verzoeker daarbij immers behulpzaam dient te zijn. Dit nadat de Rechter zowel uit de procedurestukken alsook uit de pleitnota van appellant uitgebreid had vernomen, althans had kunnen vernemen, hoe het met de ‘behulpzaamheid’ der Staat en haar ambtenarij jegens appellant gedurende vele jaren gesteld was/is. De Rechter misleidde bewust appellant en weigerde aan appellant ook verbetering van gronden.
Grief 2) Ten onrechte gaat de Rechter er van uit dat de Staat te goeder trouw is, als die blijft volhouden dat hij de documenten van de onderdelen 1. en 3. van appellant’s verzoek niet (meer) kan vinden: “Verweerder heeft aangegeven dat hij zich heeft ingespannen de brieven, dan wel memo's, als bedoeld onder 1 en 3 te achterhalen. Zij zijn echter niet gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de mededeling van verweerder te twijfelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de documenten niet aanwezig zijn. Het verzoek tot openbaar making is dan ook terecht geweigerd. Van verweerder hoeft niet verlangd te worden dat hij documenten op grond van een Wob‑verzoek openbaar maakt die hem niet ter beschikking staan.” Appellant heeft gedurende de gehele procedure uitputtende informatie verstrekt om aan te tonen dat althans in deze, maar ook in meerdere andere langlopende zaken waar de Staat in de fout is gegaan, er aan de mede-delingen van de Staat nu en dan wél – in hoge mate - mag worden getwijfeld. Geen enkel weldenkend mens zal nu nog willen volhouden, dat in zaken als “Oltmans”, “Ovaa/Spijkers”, “Enschede”, “Schipholbrand”, “Srebenica”, enz, enz. “…aan de mededelingen van de Staat niet behoeft te worden getwijfeld.” En evenmin is dit het geval in de onderhavige zaak! Het in deze aangeboden bewijs voor deze stelling van appellant is door de Rechter in haar geheel genegeerd. Dat zulke kwesties kunnen ontstaan is al triest genoeg; deze kwesties door arrogantie, willekeur, laksheid en onwil moedwillig laten voortbestaan en escaleren is ronduit kwaadaardig.
A) Als de Staatssecretaris Drs. J. Wijn op 4 okt. 2004 aan het Lid der Tweede-Kamer, CDA-Fractie, Mr. Ing. W. van de Camp schriftelijk laat weten: “Desalniettemin stel ik het op prijs dat je het gevoel en de beleving van een belastingplichtige onder mijn aandacht hebt gebracht. Dit soort signalen scherpt mijn affiniteit met de praktijk en de toepassing en gevolgen van fiscale wetgeving. Mede aan de hand daarvan kunnen wij het algemene beleid vormgeven. Gezien het bovenstaande stuur ik de informatie zonder mijn commentaar door naar de Directeur-Generaal Belastingdienst met het verzoek dit verder ter hand te nemen. Hartelijke groet, Joop”, (onderdeel 2. van appellant’s WOB-verzoek).
B) Als de heer W. Van de Camp daarna aan appellant het volgende laat weten: “Geachte Heer Theunisse, Recentelijk heb ik schriftelijk antwoord ontvangen van de Heer Joop Wijn. Zijn antwoord bevat drie elementen: 1. Als staatssecretaris van Financiën intervenieert hij niet in individuele belastingzaken, hij richt zich primair op het algemene fiscale beleid. 2. De inspecteur van de belastingdienst is autonoom, hij neemt zijn beslissingen zelfstandig. 3. Hij heeft Uw informatie, zonder commentaar van zijn kant, doorgestuurd naar de Directeur-generaal Belastingdienst "met het verzoek dit verder ter hand te nemen". U dient derhalve opnieuw af te wachten, nu op het antwoord van de Directeur–Generaal Belastingdienst. Helaas, het is niet anders.U begrijpt dat ik U liever een meer definitief antwoord had gegeven. Een afschrift van dit mailbericht stuur ik naar mijn PvdA collega Mr. Aleid Wolfsen, met wie U ook onlangs contact hebt gehad, alsmede naar onze fractiemedewerker Justitie, de heer Bob van Beers. Hoogachtend, Wim van de Camp, Lid CDA Tweede Kamerfractie.”
A + B) Dan betekent dit het volgende: 1) Er bestaat een brief van de heer Van de Camp aan de heer Wijn, (onderdeel 1. van verzoek). 2) Er bestaat een doorzending van deze brief in kopie, (met bijlagen) aan de Directeur-Generaal Belas-tingdienst, (onderdeel 3. van verzoek). 3) Van deze documenten bestaan aantekeningen - en kopieën - in de administratie van zowel het kabinet van de Staatssecretaris, alsook in dat van de Directeur-Generaal Belastingdienst. Dan volhouden dat precies deze documenten onvindbaar zijn, getuigt van kwade trouw. Dan concluderen door de Rechter dat aan de medelingen van de Staat niet behoeft te worden getwijfeld, getuigt van een ontstellende partijdigheid. Grief-3 Ten onrechte stelde de Rechter dat appellant zich tijdens de zitting diende te beperken tot uitsluitend de WOB-procedure. De Staat zelf voerde in haar pleidooi hierover ondermeer het volgende aan: “De heer G.A.C. Theunisse (Hierna, appellant) heeft na de indiening van het verweerschrift nog verschillende stukken inge-diend, waarvan onder meer door uw rechtbank aan mij is doorgezonden het boek van appellant, 'No cure ‑ No pay Contra de staat der Nederlanden'.
En: “Deze stukken voegen mijns inziens echter niets toe aan de door appellant aangevoerde argumenten voor het openbaar maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Hierna, WOB) van de door hem verlangde documenten. Wel is het boek illustratief voor wat is voorgevallen rond de berging van het schip de Magdalena.”
En: “De gebeurtenissen naar aanleiding van de berging leidde tot het verzoek van appellant om op grond van de WOB de navolgende documenten openbaar te maken;” En: “Op grond van de WOB bestaat het recht op openbaarmaking als er sprake is van een publiek belang bij een goede en democratische bestuursvoering. In dat geval kan de in documenten vervatte informatie ten aanzien van een bestuurlijke aan-gelegenheid openbaar gemaakt worden door het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan moet dan wel over deze documenten beschikken. In het onderhavige geval zijn echter niet alle gevraagde documenten aangetroffen, namelijk de documenten als bedoelt door appellant onder 1 en 3 zijn niet aangetroffen. Dat appellant hier mogelijk moeite mee heeft is begrijpelijk, gezien zijn ervaringen als gevolg van de berging van het schip de Magdalena.”
De Staat zelf erkende nu hiermee expliciet en impliciet dat de onderhavige procedure een rechtstreeks gevolg - en daarmee het verlengde - is van het oude, nog immer bestaande conflict inzake de berging van het Ms. Magdalena en de uiterst wrange nasleep daarvan. De rechter diende hier niet te mitigeren in het tussen partijen overeengekomene en vaststaande.
Een der hoofdtaken van de Rechter is de waarheidsvinding en het gaat niet aan de aangedragen informatie, noodzakelijk voor het kunnen uitoefenen van die taak, ten voordele van een der partijen te weigeren, cq ter-zijde te leggen en als niet relevant af te doen. Juist om de waarheid te achterhalen ten aanzien van de geloof-waardigheid der Staat in deze, is déze aangedragen informatie cruciaal.
Het wezen van de Wet - en ook de Rechterlijke Macht - is de bescherming van de belangen en rechten van zowel individuele als groepen van mensen, alsook om te regelen hoe die mensen in hun samenleving met elkaar en met hun leefomgeving dienen om te gaan. Als Rechter handelen zoals indeze, ter bescherming van de blunderende Overheid samen met een inmiddels vrijwel levenloze, abstracte Wet, in plaats van de mens, brengt de waarde van Wet en Recht terug tot minder dan die van het papier waarop zij geschreven zijn.
Opmerking: (Reeds in januari 2004 werd tijdens onderzoek door de Universiteit Tilburg geconstateerd dat grote behoefte bestaat aan uitbreiding van de WOB met een artikel, (11-a); dat indien de verzoeker een zwaarwegend belang bij het verkrijgen van de informatie kan aantonen, dit dan mogelijk te maken door zg. ‘selectieve openbaarmaking’). Niets behalve onwil, vooringenomenheid en brutale partijdigheid verhinderde de Rechter indeze om in te zien dat appellant zwaarwegend belang heeft bij de gevraagde informatie en dit belang ook afdoende heeft aangetoond.
Grief-4 Ten onrechte stelt de Rechter de weigering van inzage der stukken onder 4. voor als noodzakelijk voor de deelnemers aan het beraad: “om in vertrouwelijke sfeer te kunnen “brain-stormen” zonder vrees voor gezichtsverlies.” Indien de Rechter kennis heeft genomen van de uitputtende informatie die appellant verstrekt heeft, kan hij weten dat het vrijelijk “brain-stormen” in deze kwestie al veel te vaak in regelrechte samenzwering is gaan verkeren, en ook dat het ‘gezichtsverlies’ indeze niet veel groter meer kan worden.
Enkele voorbeelden: De heer Drs. J. Grosheide, Directie Politie: “Laat die Theunisse nog maar een tijdje zwemmen, die verzuipt wel.”
En: Directie Politie: “Het is de Rijkspolitie te Water vanaf nu verboden om welke reden dan ook nog contact met Theunisse te hebben.”
En: Directie Politie, nadat Theunisse in april 1980 een uiterste voorstel deed om het conflict te beslechten, in de zin dat de Staat de rekening zou voldoen en deze vervolgens als ‘onverschuldigd voldaan’ terug zou eisen, met Theunisse dan als gedaagde partij: “Wij zullen zo’n procedure waarschijnlijk verliezen.”,
En: De Minister van Justitie: “Theunisse dient vóór ontvangst van deze betaling, (klein deel der kosten van juridische bijstand) een stuk te ondertekenen waarin het hem verboden wordt over deze zaak nog contact met leden der Tweede-Kamer of met de Media te hebben.”
En: “22 Feb-2005. From: "Winkler H. mw. - BJBA" <h.winkler@minjus.nl>: Geachte heer Theunisse, Ik wil het inhoudelijk niet meer over uw zaak hebben. Dit is mijn laatste email. Als u er mee weg komt uw enorme belastingschuld te kunnen wegstrepen tegen hetgeen u de staat verwijt aan u schuldig te zijn, past het u wellicht om de zaak verder te laten rusten. Met vriendelijke groet. Henriette Winkler”
En: 2005, ministerie van Justitie in brief aan KLPD/Politie te Water Dordrecht: “Zijn u redenen bekend die verstrekking van een paspoort aan G.A.C. Theunisse zouden kunnen verhinderen?” (of woorden van gelijke strekking.) Bezien in het licht van het enkele feit dat appellant in deze situatie is verzeild doordat hij als dienstbaar en bereidwillig burger slechts de hem door de Staat opgedragen werkzaamheden, vervat in een daartoe door de Staat met appellant vooraf gesloten overeenkomst, naar behoren heeft uitgevoerd, was en is voor “brain-stormen” als hierboven geschetst, geen enkele valide reden noch noodzaak.
Ook ten onrechte oordeelt de Rechter dat: “partijen van mening verschillen over de vraag of de inhoud der documenten verstrekt moet worden in niet tot personen herleidbare vorm”. Appellant heeft uit eigen beweging reeds in zijn 1e verzoek gesteld genoegen te nemen met deze vorm van inzage, (zie a.u.b. 1e verzoek en ook de zittingsverslagen). De Staat weigert botweg inzage in élke vorm.
Grief-5 Appellant komt hier terug op de eerdere zitting in beroep, dd 6 dec. 2005, welke immers de opmaat was voor de thans gewraakte uitspraak doordat toen al voor de Rechter het voor de WOB risicovolle handelen van de Staat duidelijk was geworden, (het wél inzage geven in onderdeel 2). Immers, uit bovengenoemde motivatie voor het wél verstrekken van déze brief volgde automatisch het recht van appellant op inzage van alle overige stukken, zoals ook tot in den treure door appellant is betoogd.
Tijdens die zitting kwamen meerdere door de Staat gemaakte procedurefouten ter sprake. De Rechter, ge-plaagd door zijn zorgen om het welzijn van de WOB, heeft daarop inplaats van de procedure inhoudelijk voort te zetten waartoe hij de vrijheid heeft, om tijd te winnen ten onrechte besloten een voor appellant vol-komen onbelangrijke, maar nu door deze 1e uitspraak voor hem hoogst schadelijke, ‘fout’ uit te kiezen om daarmee de gehele procedure terug te kunnen verwijzen naar het ministerie van Financiën.
Deze uitspraak was - terwijl het ingestelde beroep van appellant nota bene ‘gegrond’ werd verklaard - een regelrechte beloning voor de door het Minfin gemaakte fouten. Het enige doel van de Staat was en is immers: het zo lang als maar mogelijk uitstellen dat in deze zaak eindelijk Recht wordt gedaan.
Ook die 1e uitspraak deed geen enkel recht aan de belangen van appellant; integendeel, de Staat kreeg op-nieuw de gelegenheid om een procedure, die reeds een vol jaar in beslag nam, en die op zich slechts een klein onderdeel is in een veel langduriger kwestie - zoals nu ook door de Staat én de Rechter bevestigd – (zie ver-slagen en uitspraken) nog weer langer te traineren. Dit niettegenstaande het feit dat de Rechter tijdens de zitting(en) duidelijk de schijn wekte wel degelijk de belangen van appellant te onderkennen, (AWB, art. 3:4-2e).
Louter vanwege een “technisch vraagje”, dat als terloops - meer als grap – door de Rechter werd aangestipt, hierbij de dringende hoofdzaken en zwaarwegende belangen waarvoor appellant zich tot de Rechtbank wendde ten onrechte terzijde leggend, werd in de daarop volgende 1e uitspraak de Wob-procedure terug verwezen. Het was in het geheel geen grap. De Rechter achtte zulks noodzakelijk om te kunnen komen tot de nu gewraakte uitspraak. Conclusie: De hierbij gewraakte uitspraak is niet "RECHT DOENDE".
Appellant neemt de vrijheid u te wijzen op een Koninklijk Besluit van 7 mei 1984, No. 36, waarbij aan appel-lant, “na een daartoe strekkend verzoek” alsnog een rentedragende lening in het kader van de Rijksgroeps-regeling Zelfstandigen werd verstrekt, welke lening destijds de nog enig mogelijke redding van zijn bedrijf, (thans www.bstdintelsas.nl) betekende, en waarvoor appellant nog steeds erkentelijk is. De lening(en) werd(en) vanzelfsprekend naar behoren afgelost.
Elke stelling en prognose ten aanzien van de toekomst van het bedrijf van appellant destijds door hem ge-daan, zoals in 1984 ook vastgelegd in het KB-No. 36, is volledig bewaarheid geworden. 1) De wettelijke basis voor inschakeling van private bedrijven in de rampenbestrijding te water ís gevestigd geworden. 2) Samenwerking met de Brandweerregio Zuid-West Brabant ís per langlopend contract geregeld geworden: (“Waakvlamovereenkomst”; voor optreden bij brand, brandgevaar, ongevallen met gevaarlijke stoffen, etcetera.). 3) Samenwerking met de Nederlandse Kustwacht ís per langlopend contract geregeld geworden: (SAR-overeenkomst), “Search And Rescue”; voor het redden van mensenlevens).
Echter, de door het enkele toedoen van de Staat der Nederlanden in de “Mi-Amigo affaire” grote ontstane schade en bijkomende kosten ten laste van appellant, waarvan oorzaak en gevolg ook nadrukkelijk besproken zijn in het K.B. No. 36, werd daarmee niet weg genomen, blijft voortwoekeren en dwingt nog immer tot herstel, (Dossier, ondermeer Prod-20 en Prod-29).
Appellant verzoekt u eerbiedig: de hier gewraakte uitspraak van 15 augustus 2006, Reg.nr. AWB 06/ 2214 WOB, te vernietigen; thans deze voor de Nederlandse Staat beschamende en voor appellant schadelijke kwestie ten einde te brengen door op het gehele dossier uitspraak te doen naar Recht, redelijkheid en billijkheid; de Staat verantwoordelijk te verklaren voor het ontstaan en voortduren van deze kwestie en te veroordelen tot betaling aan appellant van een schadevergoeding gelijk aan diens pm. vordering, (prod-20); danwel de hoogte van de schadevergoeding in goede justice te bepalen bij Uw uitspraak. Roosendaal, 15 september 2006 G.A.C. Theunisse September 13 Minister van Justitie/Defensie Job de RuiterJob de Ruiter in 1983 als minister van Defensie
13 sep. 06. Job de Ruiter baalt als ’n stekker van het boek “Een man tegen de Staat” van schrijver/ journalist Alexander Nijeboer dat rond november ’06 gaat uitkomen. Ik heb het alvast maar besteld! Hij heeft nu steun gezocht bij een advocaat om te zien of zijn vermeende pedofiele capriolen die in het boek ter sprake komen misschien verboden/ gewist/verbrand of-wat-dan-ook kunnen worden. Natuurlijk ontkent Job. (www.eenmantegendestaat.nl) Maar ach, wat geeft het? Hij kan nu zelfs lid worden van een heuse politieke pedofielenpartij; die maar wat graag zo'n ex-minister erbij willen. Waar gaan we naar toe? Waar gaat dit landje naar toe...?
Maar ook met zo’n iemand op puur zakelijke basis werken valt niet echt mee. Als je eindelijk met zo’n ministerfiguur aan een tafel komt te zitten voor een gesprek om een erg vervelende kwestie uit de wereld te helpen wordt je belazerd waar je bij staat. Dat komt omdat zo’n immoreel figuur leugen en waarheid niet meer kan onderscheiden. Liegen is het hoofdbestanddeel van zijn bestaan en denken geworden. Ook wanneer het echt nergens voor nodig is of was.
Job de Ruiter in 1980 als minister van Justitie
Vragen van G.A.C. Theunisse aan de Minister van Justitie De vragen die gesteld hadden moeten worden door de Leden der Tweede-Kamer W. van de Camp (CDA) en A. Wolfsen (PvdA), maar wat natuurlijk nooit gebeurde. Daar zijn deze figuren gewoon te schijterig voor! Inleiding 1) Op 18 augustus 1980, van 12.00 tot 13.30 uur, had op BIZA een gesprek plaats tussen de Minister van Justitie (hierna de Minister) en G. A. C. Theunisse. (hierna Theunisse) Onderwerp van het gesprek was een geschil tussen Theunisse en de Staat der Nederlanden over de berging van een schip op de Noordzee. 2) Door de Minister werd tijdens het gesprek aan Theunisse het voorstel gedaan om de kwestie voor te leggen aan een bindend adviseur. 3) De Minister stelde Theunisse voor om als bindend adviseur Prof. Mr. H. Schadee te vragen; met als alternatief, - ingeval Prof. H. Schadee zou weigeren of niet in de gelegenheid zou zijn – de President van de Rechtbank te Rotterdam te vragen om een bindend adviseur aan te wijzen. 4) De Minister wees Theunisse op het feit dat Prof. H. Schadee goed ingevoerd was in deze materie en zelfs als een autoriteit op dit gebied werd beschouwd. 5) De Minister prees Prof. H. Schadee letterlijk aan bij Theunisse als iemand die “…geen enkele binding met de Staat heeft, meneer Theunisse, en ook niet met u.” 6) Op grond van de informatie die de Minister tijdens dit gesprek aan hem verstrekte, aanvaardde Theunisse de aanstelling van Prof. H. Schadee als bindend adviseur in de kwestie. Om dezelfde reden zag hij af van het alternatieve voorstel van de Minister. 7) Echter: Prof. H. Schadee werkte al vanaf 1961 op grond van een regeringsopdracht (Justitie) aan het nieuwe Boek-8-Vervoerrecht van het Burgerlijk Wetboek, (april 1991 in werking getreden). Ook trad Prof. H. Schadee in de Tweede Kamer op als regeringscommissaris tijdens de behandeling der wetsontwerpen dienaangaande. 8) De informatie onder 7) betreffende Prof. H. Schadee was niet bekend bij Theunisse, noch werd deze informatie door de Minister aan hem medegedeeld. Vragen Vraag 1) Wat was de reden dat de Minister van Justitie zo nadrukkelijk Prof. H. Schadee als bindend adviseur voorstelde aan Theunisse om het geschil op te lossen? Nadrukkelijk, daar de Minister het kennelijk nodig achtte om – als extra aanmoediging - tegenover Theunisse Prof. H. Schadee letterlijk te omschrijven als iemand die: “…geen enkele binding met de Staat heeft, meneer Theunisse, en ook niet met u.” Een kwalificatie die, gezien de feiten onder 7) in de Inleiding hierboven, toch minstens twijfelachtig en niet geheel naar waarheid genoemd mag worden?
Vraag 2) Ware het niet verstandiger van de Minister geweest - en ook oprechter tegenover Theunisse - om zijn initiatieven tot aanstelling van een bindend adviseur te beperken tot zijn - toen alternatieve - voorstel om die keuze van een bindend adviseur inderdaad over te laten aan de - onafhankelijke - President der Rechtbank te Rotterdam, en het daarbij te laten?
Vraag 3) Hoe ziet de Minister de ‘extra aanmoediging’, die de Minister destijds aan Theunisse meende te moeten geven om hem de aanstelling van Prof. H. Schadee als bindend adviseur als eerste keus te doen aanvaarden? Dit in het licht van de feiten onder 7) in de Inleiding hierboven, en dat het verzoek aan de (onafhankelijke) President der Rechtbank te Rotterdam tot aanwijzing van een bindend adviseur slechts als alternatief genoemd werd.
Vraag 4) Is de Minister voorts bekend met het feit dat de landsadvocaat, tijdens het dienen der belangen van de Staat in deze kwestie, meerdere malen de wet overtreden heeft en zich schuldig gemaakt heeft aan onrechtmatige handelingen? Is de Minister bereid hierover zijn afkeuring uit te spreken? Is de Minister voorts bereid zodanige instructies aan de landsadvocaat te geven dat in diens gedrag – optredend voor de Staat tijdens geschillen van burgers met de overheid - onwettige, cq. onrechtmatige handelingen, tot schade leidend, in de toekomst niet meer zullen voorkomen?
Vraag 5) Nu in deze kwestie de zaken gelopen zijn zoals ze liepen; wat denkt de Minister te gaan ondernemen om uit de ontstane impasse in de kwestie Theunisse/Staat te geraken?
Vraag 6) Theunisse is in staat aan te tonen dat, na de aanstelling van Prof. H Schadee als bindend adviseur, de kwestie voor hem een volstrekt onverdiende wending heeft genomen en hem daardoor groot onrecht is aangedaan. Theunisse kan ook aantonen dat hij hierdoor schade heeft geleden. Is de Minister bereid deze schade te vergoeden?
Het zal u niet verbazen dat ondergetekende nog steeds antwoord op deze vragen wil hebben, wie of wat er dan ook op mijn pad denkt te moeten komen.
|
|
|